De wet van papa.

‘Kom nu!’

Het kwam er zeurderige uit dan hij zelf door had. Een vader met drie kinderen kwam de trap opgelopen bij de bibliotheek. Zijn kroost had ik al vijf minuten eerder gehoord toen de schuifdeuren beneden open gingen en een vloedgolf aan prikkels met bijbehorende herrie binnenkwam.

‘Papa, papa, hier is het!’ De grootste van de drie stoof weg van zijn vader en rende een van de gangen in met boeken. Of beter gezegd: met spelletjes en puzzels. Nummer twee en drie volgden hem snel.

‘Jongens doe nu eens zachtjes! In de bibliotheek moet je stil en rustig zijn.’

‘Maar wij zijn rustig,’ stuiterde de tweede voor zijn neus.

‘Ik wil dit! Papa! Ik wil dit!’ De derde duwde nog net niet een puzzel in zijn vaders buik.

Zelf stond ik een gang verder bij de boeken over muziek en theater. Eigenlijk had ik deze gang nu wel bekeken, maar ik besloot om toch nog maar even tussen de boekenplanken door naar de andere gang te spieden. De vader met drie kinderen deed me aan iemand denken.

‘Jongens zoveel mogen jullie er niet meenemen.’

‘Jawel, jawel, jawel, ‘ klonk het als een mitrailleur uit de mond van de derde en waarschijnlijk de jongste. Tevens de drukste. Als prikkels voelbaar waren geweest als luchtdruk, dan waren er op dat moment rijen boeken uit de kasten gevlogen.

‘Papa, we mogen er acht per kind.’ Klonk het van de eerste en de meest rustige van de drie. De vader leek hem ook het meest te vertrouwen.

‘Weet je dat zeker?’

‘Ja, ja, ja, ja, ja!’ schreeuwde de tweede. ‘Anders vragen we bij de balie wel! Kom maar mee.’

En weg stoof de middelste.

‘Hier blijven!’ Een diepe zucht volgde.

Ik vond het best wel knap hoe deze vader zo gepast commanderend streng kon zijn naar zijn zonen toe.

Het jochie wandelde niet begrijpend terug. Pa bond in.

‘Nou, ieders acht dan, maar je hoeft niet per se ac…’

Met de snelheid van drie Tasmaanse duivels gristen zijn zonen acht dingen uit de kasten, zonder ook maar te kijken wat ze namen en duwden dit bij hun pa in de handen die met de mond open naar de puzzels, spelletjes en zowaar ook nog een boek, keek.

‘Dit hoeft toch niet allemaal mee, jongens?’

Een koor van onsamenhangend adhd-gepraat zwol op als een groep kwetterende zwaluwen die zojuist wegvlogen. Je zag de wanhoop op het gezicht van de vader. Waar was hij in Godsnaam aan begonnen? Wat had hij vanochtend gedacht toen hij besloot om zijn zonen mee te nemen naar de bibliotheek. Ze leken duidelijk op hun moeder, zag je hem denken. Een algemeen gemakkelijk verwijt dat wij mannen wel durven te denken, maar niet hardop durven te zeggen. De enkelen die dit wel durfden hebben waarschijnlijk nog jarenlang dit moeten bezuren.

Hoe komisch het tafereel ook was, ik had ook wel een beetje met hem te doen. Inmiddels wist ik aan wie hij me deed denken. Aan mezelf. Nee. Beter nog: aan alle vaders. Alle papa’s die wel eens denken: Ik houd hiervan, dus mijn zoon of dochter automatisch ook. Mis. Op enkele uitzonderingen na, zijn kinderen vaak in van alles geïnteresseerd, behalve in wat jij leuk vindt. Noem het maar de wet van papa. Het is altijd wel bewonderenswaardig hoe vaders dit systematisch negeren en blijven proberen. Net zoals de vader een gang verder in de bibliotheek.

De kinderen sprintten met hun spelletjes in hun handen richting de trap.

‘Hier komen!’ siste de vadersstem.

‘Wat is er?’ klonk er in koor terug.

‘Het is een bibliotheek, daar ren je niet hard.’

‘Oké.’

De zonen draaiden zich om en renden iets minder hard de trap af. Hun vader achterlatend die nog maar eens diep zuchtte. Hij gaf zich gewonnen en liep met gebogen rug weg. De vader zei het niet, maar ik kon zijn gedachten lezen:

Ik neem ze nooit meer mee.

Wetboek