De laatste wens

Boven op de Tankenberg stopte er een auto pardoes midden op de weg. De rode gezinswagen trok zich er niets van aan dat de weg even geblokkeerd werd. Nu is deze straat ook meer voor wandelaars dan voor verkeer zo midden in het natuurgebied van De Lutte.
De koepel leek minzaam toe te kijken wie het waagde zijn auto zo vlak voor haar te plaatsen. Zij was het die op het hoogste punt van deze berg prijkte. De tempel gewijd aan Tanfana, een Germaanse vruchtbaarheidsgodin.
Twee stellen stapten uit de auto, waarvan een flink op leeftijd. Ze bleven even half gebukt in de auto. Een vijfde persoon moest ontgrendeld worden. Wandelaars en natuurliefhebbers nabij begonnen zich langzaamaan zichtbaar te ergeren aan de brutaliteit van deze bezoekers. Waarom hier toch midden op de weg? Altijd weer die ouderen. Je hoorde ze het denken. De realiteit bleek helaas een andere te zijn.
Tussen het jonge stel ingehaakt verscheen opeens een zeer oude man. Ondanks het warme weer was hij in een chic grijs kostuum gehesen. Schoenen netjes gepoetst zwart. Hij kon amper op zijn benen staan. Die leken op dik, wiebelig rubber.
Opeens werd het stil rondom hen. Iedereen leek te beseffen wat hier gaande was. De oude bomen rondom de koepel leken met hun bladeren al knisperend en ritselend te fluisteren tegen de oude heer. Alsof zij een leeftijdsgenoot herkenden. Hem verwelkomden in het legioen der ouderen. De tempel zelf verloor haar arrogantie als sneeuw voor de zon. Al die jaren dat zij hier stond, al die levens die zij voorbij had zien trekken. Ze herkende dit. De ziel Tanfana leek even teruggekeerd te zijn en omringde haar huis met een sereen aura van rust.
De oude man had hier geen weet van. Druk concentrerend om zijn ene been voor het andere te krijgen, liep hij geklemd tussen zijn kleinkinderen in de richting van het bankje voor hem. Slechts tien meter, voor hem een levensweg. In perfecte stilte werd hij aangemoedigd door alles en iedereen die in de buurt stond. Zelfs de vogels voor een moment stopten met hun liederen.
Het bankje gaf een prachtige uitzicht over het landschap en de bossen. Dat zich spreidde al glooiend naar beneden. De man moest hier vaak geweest zijn. Misschien wel het begin van zijn weg in het leven? Toen de natuur hier nog meer de overhand had en men daadwerkelijk nog het geloof had in de Godin van de vruchtbaarheid. Hoe dan ook, vandaag had hij zijn laatste krachten bij elkaar verzameld voor dit laatste bezoek. De natuur zijn laatste respect tonen.
In zijn ogen zag je de film van het verleden naar het heden toe voorbij vliegen. Van een stomme slapstickachtige jongensfilm naar een volledig driedimensionaal, eind. Een glimlach verscheen. Het was goed zo. De oude heer knikte een keer naar zijn kleinkinderen. Zij begrepen onmiddellijk wat ze moesten doen. Onder toeziend oog van de oude bomen tilden zij hem voorzichtig op. Hoe fragiel. Een eeuwenoude eikentak die zo broos was dat je hem zo kon afbreken. Toch bloeide nog dat ene laatste blad. Dat bijna volgeschreven was. Vanavond zou zijn laatste wens hierop staan.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Bron afbeelding: mapio.net

Herfst, de nieuwe lente!

Als de bladeren van de bomen vallen, dan komen de depressies niet alleen met het weer mee. Tenminste, dat is wat men altijd zegt. Zodra de takken leeg beginnen te raken, raakt het hoofd juist vol.

Het aantal overspannen mensen, depressies en weet ik wat voor “zwarte” aandoeningen er zijn, schijnen volgens onderzoeken enorm in trek te zijn in en rond de herfst. Waarom dan toch? Vraag ik mij af. Dit jaargetij is juist één van mijn favorieten!

Heerlijk struinend door het bos. Kleine spinnenwebben dik aangezet door de ochtenddauw. De frisse wind die liefdevol door je haren streelt. De blosjes op je wangen. Kijkend omhoog zie je het vaalgele zonnetje dat haar laatste nazomerse zonnestralen op ons neer laat komen. Hoe kun je nu niet houden van de herfst?

Na een doordeweekse dag, zo aan het einde van de middag, kijk ik met ongeduld naar buiten. Ik kan het niet meer afwachten. De grote wijzer raakt de vijf. Het sein! Ik spoedig mij naar huis waar de hardloopschoenen op mij wachten. Vlug hijs ik mij in mijn sportkleding, veter mijn schoenen dicht en binnen een tijdsbestek van vijf minuten ben ik alweer buiten. Met een grote glimlach neem ik een grote teug frisse adem en zet het op het lopen.

De eerste meters moeten de spieren nog even wennen aan de kou. Ze protesteren nog voorzichtig krakend. Als daarna het lichaam langzaam maar zeker warm wordt, loopt het als vanzelf. Onder mijn schoen knarst een eikel moedwillig in elkaar. Nog even en ik verlaat het fietspad en zeg hallo bos. Twee eiken links en rechts van de ingang staan als uitsmijters bij een disco klaar om mij te ontvangen. Ze verwelkomen mij als een oude vriend.

De aarde onder mijn voeten geeft mij een extra vering. Alsof ik zweef. Elke stap die ik zet, maakt mijn hoofd leger. Een zweetdruppel parelt langs mijn slaap. Voor een aantal kilometers lang, voel ik mij koning van het bos. Voor heel even op deze herfstige dag, waar de zon stand houdt tegen de grijze bewolking, ben ik één met de natuur.

Vogels bereiden zich voor op een trek naar het zuiden. In grote groepen zitten zij al kwetterend op de bekabeling van een elektriciteitsmast. Alsof ze een grote vakbond vergadering houden. Dieren om mij heen bereiden zich voor op een eventuele winter. Net als wij mensen weten zij ook niet of het een zachte of een strenge winter zal worden. Maar gelukkig huppelen hier ook moeders rond die op alles voorbereid willen zijn.

Als ik in mijn laatste meters zit en het bos bijna heb verlaten , voel ik mij blij en warm van alle pracht en praal die ik om mij heen heb gezien. Alsof ik een uur in een geweldig schilderij van Jacob van Ruysdael heb vertoefd.

Hoezo de herfst is deprimerend? Mensen trek je sport -of wandelschoenen aan en ga naar buiten! Aanschouw de kunstwerken die ons door dit jaargetij worden aangeboden. Het is prachtig! Laten we een nieuwe trend inzetten. Laten we de herfst de status geven die het verdient.

Herfst is de nieuwe lente!

herfst lopen

Bron afbeelding: www.loperscompany.nl

Vosje en het paardenmeisje

Het is over het algemeen bekend dat dieren een positieve invloed hebben op de verstandelijk gehandicapte medemens. Zo kreeg mijn zoon op school een maal per week paardrijles. Het koste een kleine bijdrage, maar dan had je ook wat. Het ging dan vooral om het contact met het paard dan het leren rijden an sich. Mijn zoon had er zichtbaar plezier aan. Helaas, zoals wel vaker het geval is, moest er weer eens bezuinigd worden en waar kan een overheid dit het best op doen? Precies. Op doelgroepen die het al zwaar hebben. Dus na een paar maanden werd er iets stop gezet waar gehandicapte kinderen iets van leerden en positieve kracht uit putten: het paardrijden.

Tja, eigenlijk was ik er niet eens verbaasd over. Zet de tv aan en je hoort en ziet niet anders dan rare politieke beslissingen. Maar goed. Ik wil hier niet een politieke statement maken. Het is bijna kerst dus laten we het wat luchtiger houden.

Een keer per week sporten is voor mijn zoon niet mogelijk gezien zijn handicap. Een keer in de week een paard laten sporten en zelf wat proberen er van op te steken wel. Dus besloot ik eens rond te speuren naar de mogelijkheden. Algauw stuitte ik op een manege die Tjoonk heette. In Diepenveen. Ik dacht; met een naam als Tjoonk, dan moet het wel een bijzondere manege zijn.

Op een goede zaterdag toog ik met mijn zoon naar Diepenveen om deze manege eens te bekijken. Tevens konden zij mijn zoon zien en inschatten of zij het juiste paard-materiaal ervoor hadden. Een klein uurtje verder was eigenlijk alles al geregeld. Mijn zoon kon er zaterdags, voor een klein bedrag, een halfuurtje rijden op een paard genaamd Vosje. Dat klonk goed. Vosje klonk als een mooi paardje waar junior zich mooi even op kon vermaken.

Twee weken later was het zover. De allereerste keer rijles bij manege Tjoonk. Ik kwam er aan met mijn auto en parkeerde ergens op een plekje achteraf. Zo kon ik mijn zoon mooi rustig zijn paard rijlaarzen aandoen. Hier stuitte ik op het eerste technische probleempje. De laarzen kwamen tot over zijn knieën en waren wel drie maten te groot! Kennelijk was hij nog niet zoveel gegroeid als ik had gedacht. De paardrijhelm. Ik zette hem op en staarde bedenkelijk naar mijn zoon. Zelfs Stevie Wonder zag nog meer door zijn zwarte zonnebril dan mijn zoon met zijn cap op. Hij kwam tot aan zijn neus. Oké, die is dus ook nog net iets te groot. Ik gokte er maar op dat ze caps bij de manege hadden.

Ik wenkte mijn zoon om uit de auto te stappen. Enthousiast sprong hij er uit. Een laars stond nog keurig in de auto in plaats van aan zijn voet. Verdorie. Nou ja, gauw maar weer aantrekken en melden bij de eigenaresse. De hele manage moet gehoord hebben dat wij er aan kwamen, want door de te grote laarzen van junior moest hij behoorlijke zijn best doen om zich voort te bewegen. Het slof geluid klonk als schrapende spade over de stenen.

Met rode blos kwamen we aan bij de kantine.

‘Goedemorgen, wij komen voor het paardrijden met Vosje.’

‘Goedemorgen,’ zei de eigenaresse vriendelijk terug. ‘Ik heb vandaag niemand die mee kan lopen. Heb je zelf ervaring met paarden?’

‘Ja hoor,’ blufte ik terug. Ik had immers ruim twintig jaar geleden eens met een paard door de gebergte van Spanje gereden. Als je dat kunt, dan kun je alles. Hoopte ik. En een paardje als Vosje. Dat moest toch te doen zijn?

De vrouw peilde mijn gezicht. Ik hoopte maar dat ik genoeg vertrouwen opwekte.

‘Goed,’ zei ze. ‘Vosje heeft de zadel al op dus je kunt zo op pad.’

Gelukt. Nu maar hopen dat ik alles nog wist wat ik twintig jaar geleden nog wist over paarden.

We liepen gezamenlijk naar de stallen en wandelden een vrij grote stal binnen. Paarden van verschillende grootte stonden in hun hokken nieuwsgierig naar ons te kijken. Ik keek al rond en zag al een wit paardje staan. Zijn hoofd reikte ongeveer tot aan mijn schouders. Zou dat Vosje zijn? Nee. Op het bordje stond Jari.

‘Hier staat ze,’ hoorde ik de vrouw achter mij zeggen.

Mijn zoon en ik draaiden ons om en keken recht vooruit. Daarna gingen onze hoofden heel langzaam omhoog, de paardennek volgend naar Vosjes hoofd. Ver boven ons. Ojee. Wat een reus! Ik voelde de paniek oogjes van mijn zoon in mijn zij priemen. Dit was geen Vosje. Dit was een Vos!

Door mijn gebluf kon ik niet meer terug. Ik moest met deze kolos op pad. Nog erger. Mijn zoon moest er op zitten. De eigenaresse stelde me enigszins gerust dat dit een oudere paard was en heel goed met kinderen. Maar.

Verdorie een: maar!

Vosje was nogal bang voor onverwachtse dingen.

‘Dan passen ze goed bij elkaar,’ grapte ik terug. Een autistische zoon en een paard. De grap ontging haar een beetje en hij was ook wel zo slecht dat ik het ook wel begreep.

Daar gingen we. Vader en zoon en Vosje, het grote paard. Ik moet zeggen het ging boven verwachting. Vosje liep erg mooi rustig mee. Af en toe zei ik wat tegen haar om een soort van vertrouwensband te scheppen. Dat had ik wel eens ergens gelezen. Praten op een vriendelijke toon met een paard schept een band.

We gingen een landelijk weggetje op en genoten van de omgeving. Weiland, wat bomen, een landelijk gelegen huis. Ach kijk, wat leuk. Ze hadden oranje vlaggetjes opgehangen voor het WK voetbal.

Met een ruk stond ik stil. Beter gezegd: Vosje stond stil. Twee angstige ogen wierpen zich op mij. Ik hoefde geen Einstein te zijn waarom het paard stil stond. De vlaggetjes! Klote! Mijn zoon maakte een geluidje en leek te vragen waarom we stil stonden.

‘Klein technisch probleempje junior. Komt goed.’ Ik gaf hem mijn betrouwbaarste gezicht, maar inwendig scheet ik zeven kleuren stront. Wat als Vosje het op de heupen kreeg?

Niet aan denken Michiel! Je moet die band scheppen!

En zo begon ik midden op een zandpad met een stilstaand paard te praten. En praten. En praten. Af en toe rukte ik voorzichtig aan de leidsels. Je raadt het al. Geen beweging. Nu werd ik toch wel een beetje radeloos. Hoe kreeg ik dit kreng aan het lopen?

Niet denken aan kreng. Ze leest je gedachten als boterkoek!

Shit. Vosje begon iets te bokken. Gelukkig niet veel, maar wel genoeg om mij te laten weten dat ze het niet bliefde om met kreng aangesproken te worden.

Zucht.

‘Lieve Vosje. Op jouw rug zit een jongetje dat heel graag een ritje wil maken. We staan nu al vijf minuten stil…

En daar heb ik niet voor betaald…

‘…en dat is zo jammer voor het joch. Die vlaggetjes doen écht niets. Geloof me. Als jij nu loopt, heb je een hele dankbare kleine vriend.’

En toen gebeurde het wonder. Hij liep! Heel voorzichtig ging hij stapje voor stapje langs het huis met de vlaggetjes. Wat was ik blij! Alsof ik zojuist een man in Lourdes uit zijn rolstoel zag springen. Het was me gelukt! Een mirakel! Een klein beetje band was opbouwt met de grote vriendelijke reus Vosje.

Gelukkig zou de volgende keer een meisje meelopen. Een tiener die Vosje met gemak aan kon. Frustrerend. Maar stiekem was ik er wel heel blij mee dat ik niet meer alleen op pad hoefde.

 

Twee weken later mochten we weer op pad met Vosje. Ditmaal met hulp. Het paardenmeisje. Uiteraard heet ze niet zo, maar het is mooi passend.

Ik kwam met mijn zoon aangewandeld en de eigenaresse kwam op ons af met onze nieuwe hulp voor grote Vosje. Je kon zien dat ze nog geen achttien was, maar tegelijkertijd zag je ook een zekere lef en uitstraling. Zelfzekerheid? Ik wist het niet. Ze stelde zich zelf voor en zocht direct contact met mijn zoon. Deze accepteerde haar meteen. Verbazend. Nu is mijn zoon wel een vrouwenman. De kleine casanova noem ik hem wel eens. Geen idee van wie hij dit heeft. Toch bleef het verbazend snel hoe hij het paardenmeisje accepteerde.

‘Ga je mee? Dan gaan we naar Vosje.’

En mijn zoon hobbelde trouw achter haar aan. Daarachter slofte zijn pa.

Ik besloot het eens van een afstandje te bekijken. Junior moest immers ook af en toe voorzichtige stapjes in de wijde wereld maken.

Vosje werd uit de stal gehaald en stond klaar om bereden te worden.

‘Kom maar,’ riep het paardenmeisje tegen mijn zoon.

Deze kwam direct. Toen zag ik iets, waardoor ik bevestigd kreeg wat ik ergens diep in mij vermoedde. Het meisje tilde mijn zoon met gemak en met kunde het paard op.

‘Jij hebt vaker met gehandicapte kinderen gewerkt.’ Flapte ik er uit.

‘klopt,’ zei ze en lachte er zelfs vriendelijk bij. ‘Mijn zusje is gehandicapt.’

‘Jong?’

‘Drie jaar jonger dan ik.’

Ik durfde haar leeftijd niet goed te vragen en besloot het even hier bij te laten. Gezamenlijk liepen we het zandpad op. Zo ervaren mogelijk overkomend, waarschuwde ik haar alvast voor de oranje vlaggetjes. Ze lachte een keer en zei dat ze Vosje wel kende. Was het nu echt zelfzekerheid? Of blufte ze net zo goed als ik zelf deed twee weken eerder. Daar kwamen de vlaggetjes. Daar kwam de stilstand van Vosje. Gespannen wachtte ik af.

‘Kom!’

Ze klakte een paar keer met haar tong, trok aan de teugels en het verrekte paard begon nog te lopen ook! Niets vijf minuten stil staan. Bewonderenswaardig, maar zij had uiteraard wel veel meer ervaring dan ik. Ook al was ze dan een stuk jonger.

Nieuwsgierig als ik ben naar mensen, begon ik verder met haar te praten over haar zusje. Redelijk nuchter vertelde ze me over haar handicap en de impact op hun gezin. Hoe haar ouders en zij er mee om leerden gaan en hoe ze probeerden haar zusje zo goed mogelijk door het leven te krijgen. Het gesprek ging zo diep, dat ik totaal vergat dat ik met een jongedame praatte in haar tienerjaren. Ze sprak over dit thema met een wijsheid waar menig volwassene nog wat van kan leren. Op dat moment bouwden we een soort van band. Wat bij Vosje nogal moeizaam ging, was het bij haar wat sneller gegaan. Wederzijds was het prettig om even lastige dingen uit je systeem te gooien en dat de andere het begrijpt.

Ergens, op een bepaald punt, durfde ik eindelijk haar leeftijd te vragen. Ze was zestien. Zestien! en dan zo wijs kunnen zijn? Was haar leven met een niet gehandicapt zusje geweest, dan was ze waarschijnlijk nu meer met jongens en disco’s bezig geweest dan dat ze nu deed.

Het paardenmeisje. Ze oogt zelfzeker. Wat ze doet, doet ze goed. School, sport, muziek, paarden… nooit hoor ik dat het even niet lukt. Het lukt haar.

Waarom? Niet omdat het haar aan komt waaien. Niet omdat ze zo zelfverzekerd is van haarzelf. Ze vecht ervoor! Daarom.

Door haar zusje heeft ze leren te knokken, maar nog veel belangrijker: ze heeft geleerd positief in het leven te staan. De kleine dingen leren te waarderen. Dat een glimlach een ander zelfvertrouwen kan geven.

Dat is wat ik herken. Mijn zoon heeft me exact hetzelfde geleerd. Leef met je hart en het leven wordt hartelijk.

We lopen tweewekelijks nog steeds met haar dezelfde route af en we praten over van alles en nog wat. Zij verteld trots hoe goed ze het doet op school of sport en ik luister. Ze verdiend een podiumplaats en als dat in het halfuurtje per week bewerkstelligd kan worden, wil ik dat meer dan graag doen.

vosje

Generatiekloof of dal?

Laatst was ik op het zwembad. Eigenlijk was het de bedoeling dat ik zou gaan hardlopen met ons hardloopclubje, maar vanwege een aantal afzeggingen bleef ik als enige over. Dan maar lekker zwemmen. Een paar baantjes zwemmen en daarna nog even lekker in het Turkse stoombad. Goed voor lijf en leden. Heerlijk!

Helaas voor mij was er net zwemles, dus er zat niks anders op om even in het recreatie bad te poedelen. Geen straf uiteraard en op vrijdagmiddag was dit deel, op twee oude vrouwtjes na, helemaal leeg. Lekker even zwemmen in de stroomversnellingen en ontspannen in het bubbelbad.

De zwemles was kennelijk klaar. Zo lag ik nog heerlijk te ontspannen en zo zag ik een hele kudde kinderen het recreatie bad in stormen. Wegwezen dus. Snel het water uit en mooi wat baantjes trekken in het andere nu lege gedeelte.

Ik heb geloof ik drie of vier baantjes getrokken en toen vond ik het ook welletjes. Het Turkse stoombad riep mij. Ik laveerde mijzelf langs de spelende en schreeuwende kinderen om vervolgens zo vlug mogelijk het stoombad in te duiken.

Eenmaal door die deur heerste er een serene rust. Alleen de twee oude dametjes waren er. Hoogstwaarschijnlijk ook gevlucht voor de vrij zwemmende kinderen. Ze vielen even stil toen ik binnen wandelde. Ik begroette ze beleefd en vleide mij aan de andere zijde van het stoombad neer. De dames gingen verder met een gesprek dat ze waarschijnlijk voor mij al hadden ingezet.

‘Bij Herpen. Daar was het! Daar is een heel mooie loop. Ken je die?’

‘Nee, waar ligt Herpen dan?’

‘Bij Oss in de buurt. Een hele mooie omgeving. Veel te zien.’

Een loop? Zij? Hardlopen?

Ik ben zelf een fervent hardloper. Liepen deze dames ook hard? Met alle respect voor deze dames, maar ik zag ze alles doen, behalve hardlopen. Ik schoof zachtjes een beetje overeind. Dit moest ik verder horen.

‘Hoeveel kilometer is het dan?’ Vroeg de vrouw in de zwarte badpak.

‘Dertig ongeveer.’ Zei de vrouw in de grijze badpak terug.

Dertig! Wow!

Ik probeerde zo stiekem mogelijk beide dames te bestuderen. Het waren goed gevulde types. Op een bepaalde leeftijd lijken sommige zaken groter te worden bij een lichaam.

‘Ik train nu ongeveer twee keer per week.’ Vervolgde de grijze badpak.

‘Ja, dat moet ook wel. Ken je Petra nog? Je weet wel, die vorig jaar met ons mee liep?’

De andere vrouw knikte bevestigend.

‘Zij loopt maar één keer per week. Eén keer!’ Het geschokte gezicht van de zwarte badpak onderstreepte haar uitspraak nog eens extra. ‘En maar een half uur!’

‘Een half uur? Daar trek je toch de wandelschoenen niet voor aan?’

Aha! Het is dus wandelen!

Het mysterie was opgelost. Mijn ontstane verbazende onbegrip transformeerde in respect dat ik voor beide dames kreeg.

‘Hoe wil ze in hemelsnaam dan de loop van Holten doen?’ Zei de grijze badpak geschokt. ‘Dat houdt ze toch nooit vol?

De zwarte badpak was het hier mee eens.

‘Het lijkt mij verstandiger dat Petra eerst maar eens met een beginnersgroep rustig een loop van een kilometer of tien doet.’

De dames gingen verder met hun gesprek, maar ik dwaalde af met mijn gedachte. Inwendig moest ik grinniken. Met mijn hardloopvrienden heb ik wel eens exact de zelfde conversaties gehad. Ook over een loop hier en een loop daar. Alleen in ons geval de hardloop wedstrijden her en der in het land. Ook wij kenden lopers die maar eenmaal per week trainden en dachten een halve marathon te kunnen lopen. En ook wij meenden hier onze verontwaardiging over uit te moeten spreken.

“Uurtje hardlopen in de week? Laat hem eerst maar eens een vijf kilometer doen in een wedstrijd, dan spreken we hem wel weer.”

Grappig. Bij begin van het gesprek van de dames meende ik nog te denken dat door het grote leeftijdsverschil dezelfde hobby onmogelijk was. Gevalletje generatiekloof en vooroordeel. Tijdens hetzelfde gesprek moest ik mijn mening al bijstellen.

Zouden mijn hardloopvrienden en ik over een jaar of dertig-veertig ook nog steeds zo fanatiek praten over een loop? En zouden wij dan nog steeds hardlopen of ook in de categorie wandelen beland zijn?

Goh! dacht ik bij mezelf. Is dit nu een generatiekloof in een Turks stoombad? Of is het slechts een dalletje? De dames, een  jaar of dertig ouder, maar toch minder verschillend dan ik dacht. Ooit zou ik ook een stoombad betreden met een overmaatse zwembroek, kromme beentjes met wat minder haar doch meer grijzend. Dan zouden een vriend en ik ook onze verontwaardiging over een Petra hebben. Dat ze maar eenmaal loopt in de week en maar een half uurtje.

Ooit zou misschien wel sneller zijn dan ik denk. Slechts een dalletje diep.

????????

Teun en de koeien

 

Natuurgebieden. Heerlijk! Het lijkt wel of sinds de crisis het aantal natuurgebieden zich vermeerderen. Sowieso grappig om te zien dat hoe dieper de crisis hoe hoger we het biologische in het vaandel hebben. We worden groener, bewuster met eten en we zoeken elkaar meer op. Familiare programma’s op TV. Opeens wil iedereen weer schaatsen en Unox rookworst. Kortom: we worden te midden van alle wereldse ellende, weer menselijker.  

Terug naar de natuur. Het past er dan ook precies bij. Crisis of geen crisis, ik ben er dol op!  

Als ik het kan redden ben ik alle weekenden wel ergens in een bos, op de hei of bij een meer te vinden. Heerlijk de natuur snuiven, hopen dat je wat wild ziet, maar vooral even je hoofd leeg maken.  

Nu heb je ook natuurgebieden waar wild is uitgezet; runderen, paarden, bevers of de beroemde korhoender die maar niet wil blijven leven. Vlak bij mij in de buurt is er zo’n natuurgebied. Eentje met loslopende paarden en runderen. Leuk! Dacht ik. Daar moet ik eens naar toe. Dus op een mooie zaterdagochtend de hond aan de riem gedaan, zoon jas aan en hup in de auto. Iets minder groen. Op naar dat mooie stukje Nederland aan de IJssel.  

Mijn hond heet Teun en is een mannetje. Wat ik tot nu toe met Teun gewend ben is, dat andere honden veel naar hem blaffen als hij te dicht in de buurt komt. Kennelijk stoot onze blonde labrador soortgenoten af. Dus toen we aankwamen bij het wandelgebied was ik blij dat er geen andere honden te zien waren. Geen geblaf en getrek aan de riem. 

Wij de auto uit en het wandelpad op. Algauw kwamen we bij een groot schuinstaand hellend houten hek. Het begin van de wilde natuur. Mijn zoon rechts en Teun links in de hand vasthoudend, liepen wij het enige gebaande paadje van het gebied op. Lekker! Veel wilde bloemen, mooie bloesems en redelijk rustig. 

Na enkele minuten kwamen de eerste dieren tegen; de paarden… Nou ja: paardjes. Zo groot waren ze niet. Ik zou er over kunnen bokspringen zeg maar. De viervoeters waren behoorlijk nieuwsgierig en kwamen algauw op ons afgestapt. Helemaal niet erg. Ze waren klein en zagen er vriendschappelijk uit. We hadden een stuk of tien paardjes om ons heen staan en terwijl mijn zoon en ik druk met aaien bezig waren, viel me iets op. De paarden hadden wel heel erg veel interesse voor Teun. Nieuwsgierig snuffelden ze bij het achterwerk van mijn hond. Deze had op zijn beurt niets door en snuffelde druk over de grond en probeerde als een tierelier zijn domein af te bakenen. Steeds als hij een neus tegen zijn bips voelde, liep hij een stukje weg.  

Hmmm… opvallend, een paard vind Teun wel leuk.  

Met deze gedachte namen mijn zoon en ik afscheid van de paardjes en vervolgden onze weg langs de IJssel. 

‘Kijk, daar zijn de koeien.’ 

Wat een grote koeien! 

Bij het begin van een weiland langs de IJssel, stond een stier op wacht met hoorns van wel twee meter lang! Ja ik overdrijf de lengte, maar  

a. Welke man schept niet op over de lengte? 

b. Als jij daar gestaan had, hadden de hoorns zeker weten ook als twee meter aangevoeld. 

De stier had ook een koe kunnen zijn, maar ik durfde daarvoor niet al te dichtbij te komen. En om daar gehurkt te gaan zitten om te kijken of ik met een uit de kluiten gewassen testosteron beest te maken had, leek me een beetje de kat op het spek binden.  

Afijn, we liepen vrolijk door. Koeien zijn immers onschuldige wezens der natuur. Die doen niks. Ze lijken dan wel op kleine bestelbusjes met hoorns, maar ze eten alleen gras, staren wat in het rond en bewaken hun terrein.  

Hand in hand met zoon en de hond aan de riem genoten we van het uitzicht. De uit de kluiten gegroeide stier draaide zich een keer met zijn kop naar ons toe. Ik groette hem vriendelijk. Zijn kop boog. Eerst dacht ik nog dat hij terug groette. Hoe verrassend zou dat zijn! Een wilde rund met etiquette. Alleen… hij groette mij niet. Hij zag Teun. Even meende ik een glinstering in zijn ogen te zien van:  

Hé, was dat voor een dier? 

Gewoon doorlopen Michiel. Moedig gingen we verder. Hoewel ik wel een onzeker geknaag in mijn buik kreeg. Ken je dat gevoel alsof je achtervolgd wordt? In films zie je dat ook wel eens; iemand denkt dat hij achtervolgd wordt, draait zich om en ziet niemand. En toch weet deze zeker dat er iemand achter hem aan zit. Dat gevoel had ik ook. Ik werd achtervolgd, maar het was geen mens. Het was een koe.  

Waarschijnlijk als ik me omdraai, is het loos alarm. Dacht ik. Iets vertragend in mijn pas, draaide ik me langzaam om. Een hele kudde koeien stond zo’n vijf meter achter me! Ik hield halt, zij hielden halt. Al hun ogen waren gericht op Teun! Ik wende mijn blik naar mijn zoon. Alsof ik in een spiegel keek. Ik bestudeerde Teun. Hij keek naar de runderen en kwispelde. Hoe kun je nu vrolijk met je staart rondzwaaien als er een drie dozijn gevaarlijk zwaaiende hoorns het op jouw gemunt hebben? 

Daar stond ik dan. Ik probeerde mezelf enige rationele gedachtes toe te spreken. 

‘Oké Michiel, hier sta je dan. Voor je een kudde anabole koeien en achter je ook. Ooit heb je weten te ontsnappen uit de Primark, dus dit moet appeltje-eitje zijn.’ 

Nu was de situatie nogal lullig. En dan druk ik me zacht uit. Alleen werd het nog lulliger toen ik over de koeien heen, waar de uitgang van het weiland was, een groepje wandelaars zag. Ik dacht eerst: Ja! Hulp! Bijna begon ik ook dankbaar te lachen, tot dat ik door kreeg dat ze geen aanstalten maakten om mijn kant uit te komen. Een paar stond met hun armen over elkaar heen met een gezichtsuitdrukking van:  

‘Ik ben benieuwd.’  

En de rest stond klaar met hun mobieltje in de hand. Camera gericht op ons. 

‘Nou zoon, vanavond staan we op Facebook,’ zei ik nog al ironisch, maar de humor zag hij er niet van in.  

Daar stond ik met mijn zoon en hond, daaromheen de runderen en daarachter de biologische geitenwollensokken ramptoeristen. De scene had niet misstaan in een Laurel en Hardy film. Wat kon ik doen? Ja, ik kon Teun achterlaten met zijn wilde fanclub en mijn zoon en ik zouden veilig zijn. Maar ja, ik ben te veel gehecht aan mijn naar zweetsokken stinkende labrador. Bleef er maar een optie over: We moesten dwars door de kudde. Verstand op nul en gaan.  

Daar ging ik… geestelijk… lichamelijk bleven mijn voeten op de plek waar ze waren. De toeschouwers hielden hun mobieltjes wat hoger. Je wist natuurlijk maar nooit op welke camera stand ik op de hoorns genomen zou worden.  

Teun schoot iets naar voren. De koeien deinsden achter uit. Ze waren bang! Bang voor een elfjarige, naar zweet stinkende, harende hond. Dit was een onverwachtse wending. Ik rook mijn kans. Ik hield mijn zoon stevig vast rechts en gaf Teun speling op zijn riem links. Daar gingen we.  

We liepen alsof we de leeuw, de tinnen man en de vogelverschrikker uit The wizard of Oz waren. Angstig, stijfjes en parelend in zweet. We voelden hoe het publiek met ons meeleefde… vooral met de koeien. 

Teun was onze staf en de koeien waren de rivier die voor ons open spleet. Eenmaal kwam er een stier wat dichtbij. Ik slikte, de toeschouwers moedigden aan en mijn hond? Teun keek, Teun hijgde en overwon. Het rund krabbelde terug. 

Nog een stukje en ik was er! We versnelden onze pas. Mijn zoon sleepte ik bijna mee. Het was niet anders. Later zou ik wel sorry zeggen. Einde wild-gebied. Gered! Als ik nog zou roken, had ik drie sigaretten tegelijk opgestoken. Maar nu moest ik mijn spanning op een andere manier kwijt. De ramptoeristen. Daar kon ik mijn overschot aan dopamine perfect op botvieren.  

Ik keek op, klaar om mijn mond open te trekken. Ze waren verdwenen. Waarschijnlijk teleurgesteld op mijn goede afloop, waren ze alle kanten het natuurgebied weer ingevlogen. Er was geen spoortje wollen sok meer te bekennen.  

Nog eenmaal draaide ik me om. De koeien waren weer vredig aan het grazen. De stier met de flinke hoorns stond op wacht alsof het nooit wat anders had gedaan. Ik zuchtte een keer van opluchting en kuste mijn zoon op zijn hoofd. Uiteraard kreeg Teun een mega knuffel. 

koe