De tandarts

Twee keer in het jaar moet ik er heen. Ik wil niet, maar het moet. Niet dat iemand mij dwingt, maar ja, ik betaal er voor en het is goed voor je. Zeggen ze. De tandarts. Vreselijk! Is het dan zo’n nare man? Nee, helemaal niet. Het is een vrouw. Het komt door mijn tanden.
Mijn gebit is van dusdanige kwaliteit dat ik de tandarts helaas vaker dan die twee keer per jaar moet bezoeken. Renovatie werkzaamheden. Soms zelf complete verbouwingen. Van tandplak tot en met wortelkanaalbehandelingen. Ik heb het allemaal meegemaakt.
Zit ik daar in de wachtkamer. Altijd stipt op tijd. Alsof ik ernaar uitkijk. Joepie. Om de een of andere mysterieuze redenen wordt het altijd een kwartier later dan dat er op je afsprakenkaartje staat. Heel vreemd. Altijd, maar ja, je durft het ook niet op aan te laten komen, dus kom je maar braaf op het juiste tijdstip. Net op het moment dat je half ligt weg te dromen, hoor je opeens je naam.
‘Michiel?’
De lieftallige stem van de assistente klinkt door de wachtkamer.
Ik kan niks anders doen dan opschrikken en haar vragende blik van haar te beantwoorden.
‘Dat ben ik, geloof ik.’
Dan mag ik mee met het hulpje van de tandenmeesteres. Zag ik daar nog net een gemene grijns voordat ze mij de rug toekeert om me naar de behandelkamer te leiden? Of is het lijden?
Daar lig ik dan. Op de relaxstoel. Grote papieren, servet op mijn borst en het grote licht boven mij, precies in mijn ogen schijnend. Alsof ik dadelijk ondervraagt wordt of ik mijn tanden wel goed gepoetst heb? De tandarts staat altijd met de rug naar mij toe bij een werkbalie. Druk bezig met röntgenfoto’s en andere tandzaken. Een kunstgebit op een stokje lacht mij toe. Ik lach maar vriendelijk terug. Je weet maar nooit of ik deze later nog nodig heb. Dan verdwijnt opeens de assistente. Met een smoes van dat ze een andere cliënt moet klaarleggen.
Of afleggen? denk ik nog wrang.
Braaf lig ik op de stoel. In de stilte. Na enkele minuten wachten, wat voelt als uren, besluit ik nog maar eens het systeemplafond te bestuderen. Jawel, de vochtplek zit er nog steeds. Ook onder mijn oksels inmiddels.
‘Zo, meneer Michiel.’
Van schrik vlieg ik een halve meter uit mijn stoel. Het bakje met gereedschap vliegt bijna van het tafeltje naast me. De tandarts, al die tijd had ze geruisloos achter me gestaan. Helemaal vergeten.
‘Wij gaan even uw tanden bekijken.’
Wij? Komen er meer tandartsen? Is mijn zorgverzekering zo chic? Nee, dat kan niet. Ik ben niet verzekerd als een hoger opgeleide. Op dat moment komt de assistente weer binnengewandeld. Alsof ze het afgesproken hebben. De andere helft van de “wij”.
Op het moment dat zij gaan beginnen met het onderzoek, begint altijd het meest verbazende moment van wat, volgens mij, alle tandartsen doen. Ze beginnen een conversatie met je. Klopt hè? Altijd als je mond behangen is met het haakje en het afzuigapparaat, krijg je vragen waar je antwoord op moet geven.
‘Assistente schrijf even op: rectaal op 5C. U vindt het toch wel even goed als we uw achterste, linker kies ook even bekijken?’
‘Uhwuwuhuwuhu.’
Dat is dan ongeveer mijn intelligente antwoord. Het kan niet anders dan dat er achter dat mondkapje een satanische grijns zit. Ze verheugt zich waarschijnlijk al op de koffiepauze. Kan ze vertellen dat ze er weer eentje had. Eentje die ook nog al kwijlend terug probeerde te praten. Want dat doe ik. Telkens tuin ik er in en wil wat terugzeggen en dat lukt niet. Ik probeer zelfs over het lawaai van het afzuigslangetje te komen. Mocht het je dan toch lukken om vanuit je keel een op een woord lijkende klank te produceren, stoppen ze snel nog wat vingers in je mond om de moeilijkheidsgraad te vergroten. Het boefje toch ook… naar tandmens!
Tandartsen moeten ergens hun lolletje vandaan halen, lijkt wel. Je denkt dan dat dit toch wel “leuk” genoeg is voor een middagje plezier van de meesteres, maar nee. Ze heeft nog een konijn in haar mondkapje.
‘Meneer Michiel, kunt u uw mond iets verder open doen? Iets verder nog?
Ik open mijn mond zo wijd mogelijk.
‘Verder.’
Nog wijder.
‘Verder.’
Met kramp in mijn gehemelte doe ik een uiterste inspanning.
‘Verder.’
Mijn kaken ploppen aan beide kanten uit hun kom. Ik voel een ieniemini schraapje van het haakje bij een tand bijna helemaal vooraan.
‘En doet u het maar iets minder ver.’
Godverde…
‘Wat zegt u, meneer Michiel?’
‘Uhwuwuhuwuhu.’
‘Mooi gezegd, meneer Michiel.’
Ik zou zo graag dat haakje bij haar plaatsen op een plek waar het daglicht zelden komt…
Na al het verbale lijden komt nog de laatste wonderlijke tandarts pesterijtje. Zodra het onderzoek klaar is en je mond weer helemaal leeg is, dan praten ze ineens niet meer met je. Staat ze met de rug naar mij toe alsof ze nooit de balie verlaten heeft. Haar kaken stijf op elkaar, de mijne als een rammelende uitlaat onder mijn neus bungelend. De assistente meldt me dat ik mag gaan, maar me wel moet melden bij de balie omdat er een gaatje zit in mijn rectaal c5 (of hoe dat ook mag heten).
Tandartsen, wat een wonderlijke mensen. Humor op hun eigen niveau. Menen ze. Nou, ik vind aan die grappen van hen nog aardig wat haken en boren zitten.

 

dentist

Bron afbeelding: macotar.blogspot.com