Vinyl

Er was een langzame dood beloofd. De opmars van de cd in de jaren ’80 zou de nieuwe, moderne tijd inluiden. Digitale muziek op een blinkend schijfje. Meer nummers en glasheldere weergave. Nooit meer het gekraak van stof onder een naald of een kleine verspringing door een kras. De lp had zijn laatste adem uitgeblazen.

Zo leek het ook een lange tijd te gaan. Enkel fanatieke muzikanten en verstokte muziekofielen grepen naarstig terug op de sentimentele, zwarte disk. Struinend over kleine zwarte markten in de hoop om nog tussen de meuk van “Alle dertien fout” een diamantje te vinden. Lp’s als waardeloze prul voor minder dan een euro aangeboden. De ooit keizer van de muziekdrager was van zijn troon gestoten en verworden in een tandeloze zwerver.

Cd’s, de nieuwe nummer 1, gingen al snel een nog diepere afgrond in door de opmars van online streaming. Digitale muziek, al dan niet legaal van het internet geplukt. Mensen die thuis terabytes vol met muziek hebben. Niet omdat ze ervan houden. Nee. Gewoon omdat het kan. Het gemak van iets gratis downloaden. Een verslaving.

Net als ik tegen een e-boek bezwaren heb, had ik dit ook tegen het online streaming. Hoeveel e-boeken kun je als leesliefhebber in een boekenkast zetten? Precies. Nul. Je zou er hooguit een treurige USB-stick of harde schijf neerleggen en dan trots kunnen wijzen en zeggen:

‘Kijk eens hoeveel boeken ik heb.’

Sneu, want het gaat je dan om de kwantiteit en goedkoopte en niet om het boek. Hetzelfde gevoel begon ik ook steeds meer bij muziek te krijgen. Het wordt ons allemaal zo gemakkelijk gemaakt. Een soort welvaartsziekte.

Muziekwinkels kregen het vanaf het nieuwe millennium steeds zwaarder. De cd, hoe blinkend en mooi ook, kon het niet winnen van de MP3. Klassieke valkuilen als alleen maar eenheidsworst verkopen, werden niet vermeden. Digitale muziekaanbieders als Spotify deden dit slimmer. Zij boden  betaalde digitale muziek aan, met niet alleen de mainstream shit, maar ook de muziek net daaronder. De onontdekte pareltjes, bands die aan de weg timmerden, golden oldies. Spotify begreep wél hoe het werkte en verdreef daarmee het opgelegde massaproduct dat de muziekwinkel aanbood.

En zie daar het kleine wonder. Kleine, rokerige muziekwinkeltjes in de hoekjes en nisjes van de stad verborgen, begonnen opeens te floreren. Zij die stand hielden en vinyl bleven verkopen. Op leven na dood. Als een halfdode plant die opeens weer water kreeg. De kleine, underground platenzaakjes werden de hipsters van de muziek. Het vinyl gereanimeerd en telde opeens weer mee.

Hoe kan dit? Sentiment? Deels, denk ik. Voor mij zou jeugdsentiment kunnen meespelen, maar voor mijn twintig jaar jongere collega niet. Zij heeft het platentijdperk niet meegemaakt.

Ik denk dat men klaar is met het gemak alles vanzelf maar te krijgen. Men wil weer uniek. Geen 1000 nummers op een stick, maar een aantal lp’s in een kast. Hun vrienden laten zien welke muziek ze leuk vinden. De art van de hoezen showen. Dankzij Spotify is de zwarte keizer weer terug op zijn troon.

Weg met de eenheidsworst! Hallo unieke individuen! Niet allemaal dezelfde bordjes meer van de IKEA, maar design toestanden van de Action (we blijven immers een zuinig volkje).

Is de welvaartsziekte daarmee opgelost? Nee, natuurlijk niet. Het feit dat lp’s voor dertig euro over de toonbank gaan, zegt al genoeg. Ooit zal ook zij daarmee haar eigen nek wel omdraaien. Voor nu ben ik er blij mee. Het vinyl, en daarmee ook de échte muziek, is terug van weggeweest. Leve de keizer!

wp_20170203_08_53_58_pro

Bewaren

Bevrijding

Mijn vriendin en ik waren op een bevrijdingsfestival. Een goede benaming. Er werd heel wat afgevreeën.
Divers pluimage aan mensen gingen door ons blikveld. Klein, groot, donker, licht, high, nuchter. De kledingmode viel ons vooral op. Jaren 80 broeken wordt de nieuwe mode. Waar een gemiddelde grote kont veranderde in een mega kont. Tevens een modegril: strakke jurken. Waarin een ontzettend dikke kont een ontzettend dikke kont bleef. De jeugd houdt er van. Uiteraard hebben we onze gedachten wijselijk niet hardop gezegd, maar we vonden wel dat we het recht van vrijheid hadden om deze gedachten te hebben. Het was niet voor niets Bevrijdingsdag.
De weken voor de Dodenherdenking en Bevrijdingsdag zorgde de media ervoor dat ik deze niet zou vergeten. We vieren de vrijheid en dat is bijzonder. Vind ik ook. Als je nagaat hoe de afgelopen maanden ons vrij landje te maken heeft gehad met zeer nabije aanslagen. Hoe door vluchtelingen de pijnscheuten van de oorlog zijn binnengekomen. Hoe fortuinlijk zijn we dan eigenlijk? Hoeveel mazzel heb je als je nog kunt klagen het weer? Over wel of geen vluchtelingen. Of nog sterker: als je als immigrant kunt rellen wanneer je theehuis gesloten wordt? Dat vervolgens voor de zoveelste keer wordt geprobeerd met pamperen de boel te sussen. Dan weet je dat je in een vrij land bent. Een vrij naïef land weliswaar, maar wel vrij om als een volslagen debiel domme dingen te doen of overal een mening over te hebben.
Dat is het mooie van ons landje. Allemaal een eigen mening of gedachte. We weten het vaak ook nog beter. Nou ja, de meesten weten het beter tot dat het mis gaat. Dan komt men met de typisch Nederlandse opmerking:
‘Ik zei toch dat het niet goed was!’
Volgens mijn vriendin is dat een kwaal vooral bij mannen. Zeer zeker eentje bij mij. Zegt zij. Dan is het waar. Want als het niet zo is, dan kan ik tenminste zeggen:
‘Ik zei toch…’
Maar goed, we zitten zo op het festival inwendig mensen uit te lachen of ik zit juist mijn nek op te verrekken op een minirok. Tot ik  bedacht dat het ergens raar is.
Het is raar dat we zo eensgezind zijn op die ene dag. Dat we ineens beseffen dat we onze vrijheid moeten koesteren. De dag ervoor denken we zelfs massaal aan hen die voor ons gesneuveld zijn. Hoe mannen en vrouwen hun nek uitgestoken hebben om mensen te laten onderduiken, te muiten of zelfs aanslagen pleegden. Soms niet eens uit een goed hart, maar meer uit eigenbelang. Toch deden ze het. Ergens kwam het besef dat wat de vijand deed niet kon. Het was een stap te ver.
Slechts een gedachte uit één oorlog. Eentje die ons direct trof. Ons land bracht naar een staat die vergelijkbaar is met huidige getroffen landen.
Opeens voelde ik me schuldig. Ik zag een groepje meiden 100 en 1 selfies maken want dan konden de anderen zien dat ze het leuk hebben. Rechts van mij stonden drie mensen een soort Grieks dansje te doen terwijl een vierde filmde. Zodra deze klaar was met filmen stopten de andere drie direct en gingen verder met wezenloos voor zich uit staren.
Digitaal schijngeluk vind ik het. Zelf ben ik geen haar beter. Als ik mijn mobiel bij me had gehad, had ik ook een leuke foto op het grote sociale media gezet. Nu moest ik het doen met mensen ‘liken’ en ‘disliken’ zonder een mobiel. Waarom voelde ik me dan schuldig?
Dat komt door de dag die er na komt. Iedereen doet weer boodschappen, is vooral met zichzelf bezig en heeft altijd gelijk. Een vluchteling wordt met argusogen aangestaard en in een stad ergens in Nederland lijkt wederom een groep jongeren niet te beseffen hoeveel geluk zij hebben dat ze überhaupt de kans hebben om rond te hangen.
5 mei lijkt dan ineens lichtjaren ver weg. Wat kan vrijheid dan snel vanzelfsprekend worden. Misschien maar goed ook. Toch zou het fijn zijn dat mensen het wat vaker beseften dan een dag in het jaar.
Een stel rent het veld voor ons op. Te laat, want de band is net vertrokken. Zij kijkt hem geërgerd aan.
‘Ik zei toch dat we eerder hadden moeten komen!’
De herkenning tovert een glimlach om mijn gezicht. Ik stootte mijn vriendin een keer aan en zei:
‘Kijk, dat is nu vrijheid.’

Zwolle

Bron afbeelding: RtvOost

Helden

Ze worden geboren zonder dat zij beseffen dat ze bijzonder zijn. Dan ontwikkelt zich iets. Een talent. Een karaktereigenschap. Iets wat hen bijzonder maakt. Iets waardoor wij als kind, tiener tegen hen opkeken.
Een voetballer, zanger, acteur, maar ook dichterbij huis. Je buurvrouw die elke zaterdag haar bejaarde buurman helpt met boodschappen doen. Een jongen die zich vrijwillig  inzet om de stad schoon te houden. Zo zijn er legio voorbeelden. Iedereen kent wel iemand. Een held die zichzelf niet als held ziet.
Als jochie keek ik tegen de groten der aarde op. Ze waren er gewoon. Dat was normaal. Ik draaide Queen bijvoorbeeld helemaal grijs. Wilde Van Basten zijn of Bergkamp. Speelde onder de douche de solo van ‘Purple Rain’. Het hoorde bij mijn leven.
Op een dag kwam er een kras op mijn beeld van onsterfelijkheid. Freddie Mercury stierf. Hoe kon dit? Helden stierven niet. De hele dag heb ik zoals een puber betaamt, er stoer over gedaan. Dat het me niet deerde. Bij de eerste de beste klanken van ‘The show must go on’ barstte ik echter in tranen uit op mijn kamertje.
De pijn sleet en het ouder worden gaf je nieuwe inzichten. Helden konden sterven. Alleen deden ze dit een hele poos niet. Totdat opeens Jackson gedag zei. Winehouse, Harrison, Thé Lau. Slechts een greep uit de laatste jaren.
In een paar maanden tijd in dit prille jaar hebben daar opeens twee zangers en een voetballegende aan toegevoegd. Veel te jong, maar dat is het altijd.
Prince liet donderdag 21 april echt de duiven huilen. De zoveelste held die van onze aardkloot vertrok.
Ik ben geen jongetje meer. Ik ben een grote vent met een eigen kind. Die zijn eigen helden zal scheppen. Alleen is het kleine kereltje in mij opeens voor de tweede keer met de neus op de feiten gedrukt. De pioniers van toen sterven langzaam uit. Helemaal niet het oneindige leven. Wel voor eeuwig vastgelegd, Mercury galmt nog steeds door mijn woonkamer en ik speel nog steeds, inmiddels, echt gitaar op ‘Purple Rain’.
Het is een harde realiteit waarin ik niet de gave heb het tegen te houden,
Ergens in Minnesota is er misschien wel een baby geboren die over een jaar of achttien de nieuwe held wordt voor vele tieners. Een pionier die de muziek weer verder brengt waar het nu is.
Tot die tijd koester ik de helden die nog zijn. In juni ga ik naar Paul McCartney. Een dinosaurus die weigert te capituleren. Een legende van het eerste uur die zijn onsterfelijkheid zolang mogelijk wil behouden. Ik ga hem zien en koester het. Het kan zomaar de laatste keer zijn.
Helden, ze worden geboren zonder het te beseffen, ze leven  zonder er bewust van te zijn. Pas als ze sterven en neerkijken op onze aarde. Dan pas hebben ze het door. Dat kunnen alleen de échte helden.

Prince2

Autotune-Hel

Afgelopen week hoorde ik het een aantal keren voorbij komen. De autotune. Vreselijk! Vooral rappers maken zich hier schuldig aan. Het schijnt dan ook vooral een hype te zijn onder de Nederlandse wannabe puistenrappers.

Rappers als Kleine Pik, Gold filled mouth, DJ Testo en grote Lul, MC 8-teen and still dry, Mister Polska … oh wacht, die bestaat echt. Nou ja hoe die al die kereltjes heten, weet ik niet. Die raken al gauw vergeten in mijn muzikaal selectieve brein, maar wat blijft hangen is die irritante autotune.

Voor mensen die niet weten wat dit is. Stel je voor dat je met je fiets over een hobbelig zandpad crost, doe dan je mond open en maak een ‘A’-geluid. Als je ‘A’ klinkt als een defecte vibrator gekocht bij een schimmig internetbedrijfje zonder garantie, dan weet je hoe een autotune klinkt.

Waarom doen ze dit toch? Dat komt door ons. De jeugd vindt het geweldig. Slikt het voor zoete koek en vindt deze gasten vet cool, wreed, master, gruwelijk of welk slangwoord er vandaag de dag maar van toepassing is.

Laatst zag ik twee van die talentloze gasten op het podium staan. Op een of andere uitgekauwde, gekochte remix stond er eentje te rappen over het leed in zijn leven. Het kereltje was hoogstens achttien, maar rapte als een ouwe lul van zestig. De ander zong erbij alsof zijn leven er van af hing. Elke uitgespuwde zin werd vakkundig digitaal geshredderd en verkracht. Hier en daar kon je nog iets verstaan.

‘Ik bekijk de situa-a-a-a-a-sie.

Morgen wil ik met jouw op vak-a-a-a-a-ansie.

Vanavond maakt mijn moeder Na-a-a-sie.’

De andere puistenkop versterkte deze mislukte vibrator nog heel stoer met zijn rap.

‘Yeah, Bish!

Eat tish!’

Overigens, dit zijn geen Engelse spelfouten die ik maak, die gast klonk niet beter door zijn elastieken beugel.

Rappers, ik heb er niets tegen. Geef mij een echte rapper en ik geniet ervan. Voorbeelden zat. Maar heren, alstublieft. Houd op met deze autotune-hel! Stop de verkrachting van muziek. Als je het niet in je hebt, verzin dan wat anders om bekend te worden. Kijk naar een Ali B, hij laat gewoon eigenhandig zien dat je als Marokkaan knuffelbaar kunt zijn, hits scoren, succes in theater en nog veel meer. Talent noemen we het ook wel in de volksmond.

Nou, ja, je wordt ouder papa, zong ooit een zekere Peter Koelewijn. Zonder vibrator. En zo zal het ook zijn. Er is een markt voor van bakvisjes en puistenkoppen, zoals ik ooit als onverzorgde grunger naar ‘herrie’ als Nirvana luisterde. Elke generatie heeft zo wel zijn afzetmarkt tegen het gevestigde.

Maar toch. Autotune? Kom op, generatie! Jullie kunnen beter dan dit. Leg dat ding terug in je nachtkastje en ga je eens echt zingend tegen ons verzetten!

vibrator 2

De ontdekking van de hemel (David)

‘De veertigste van Mozart en de liedjes van Jacques Brel
zijn ook ooit verzonnen’, zei ik, ‘toch bestaan ze wel.
Iets kan zijn verzonnen en daardoor juist bestaan.
Dat soms iets niet verzonnen is, neemt men zomaar aan.’

Bovenstaande zette me aan het denken, zoals het met velen van ons doet. Iets wat feitelijk niet bestaat, laat hij ontstaan. In ere herstellen is misschien beter gezegd.
Het citaat komt uit een lied van Herman Finkers waarin hij een discussie bezingt over waarom een hemel niet zou bestaan. Een lied is verzonnen en als het af is, bestaat het. Het kan gaan over een stad. De stad bestaat. Over een dier. Dieren bestaan. Het kan ook gaan over de liefde. De liefde bestaat. Daar hebben we zoiets.
De liefde bestaat. Het is niet tastbaar, niemand heeft het ooit voorbij zien fietsen en toch zeggen we dat de liefde bestaat. Het is een onzichtbaar iets dat tussen twee mensen kan ontstaan er komen vlinders in de buik en we noemen het verliefd. Iedereen zegt het, dan zal het wel zo zijn.
Een verzonnen lied over de liefde kan hét nummer worden bij een stel. Het kan ook een landmark zijn bij het einde van een relatie. Het gebroken hart. Want dat bestaat ook. Niet echt in stukjes, maar wel echt hartzeer. Wederom verzonnen, toch accepteert iedereen het. Het is dus waar.
Waarom is het dan zo lastig bij de hemel? Ik geloof er ook feitelijk niet in. Alleen toen ik het lied van Finkers hoorde, dacht ik:
Ik kan er wel niet in geloven, maar dan geloof ik ook niet in muziek. Of in een goed boek, een schilderij en wat nog meer?
Het aanvoelen van onraad of verdriet. Niet tastbaar. Is het dan wel echt? Of net zo verzonnen als teamspirit? Ik weet het niet. Wat is nu eigenlijk teamspirit? Een groep mensen bij elkaar die zeggen dat ze een hechte band met elkaar hebben. Waar is dan die band. Je ziet hem niet. Verzonnen? Zou je wel denken.
Als we over al die zaken openlijk zouden zeggen dat het verzonnen is en niet bestaat, wat blijft er dan nog over? Niets zeggende fysieke, zaken.
David Bowie stierf op zondag 10 januari. Ik geloofde in zijn muziek. Een ‘Absolute Beginner’ als het aankomt op het gebied van de aarde verlaten. Hoewel hij het als ‘Major Tom’ als eens deed. Zijn muziek, kleding en manier van hier zijn, deed mensen overtuigen dat er veel kon op gebied van kunst en muziek. David verzon het, zijn liefhebbers gaven het bestaansrecht.
Bowie deed iets wat alleen de groten der aarden kunnen: er stiekem tussenuit piepen met veel loftrompet geschal. Gelukkig vulde hij het zwarte gat van leegte die hij achterliet nog enigszins met een album, zo vlak voor zijn dood.
David Bowie is niet meer, maar zijn muziek bestaat nog. Verzonnen liedjes. Als zijn muziek bestaat dan verzin ik daar Bowie bij. Toekijkend van boven hoe wij nog eeuwen lang van zijn verzonnen, muzikale teksten genieten. Zo blijft hij voortleven in onze gebroken harten gevuld met de liefde voor muziek. Als een hecht team zullen we dit blijven doen. Davids jongensboek mag nooit vergeten worden. Als ik me dit maar blijf voorhouden dan is het echt. Een feit. Dan is de hemel net zo echt als ‘Life on Mars’.

There’s a starman, waiting in the sky.
He’d like to come and meet us
But he thinks he’d blow our minds.

David is nu zelf de man van de sterren. Ik geloof in de hemel. Het is een feit. Het gaat niet om het liedje, maar waar het vanuit gezongen wordt. Het hart? Inderdaad. Een verzonnen feit.
Ik verzin de hemel, met Bowie en al.

Bowie-Blackstar-vinylcover

Bron afbeelding: Wikipedia

Festival midlifecrisis

Een klein gezellig festival voor het eerst georganiseerd in het oosten van het land, dat trekt uiteraard veel soorten publiek. Allereerst natuurlijk het festivalpubliek, mensen die met regelmaat diverse festivals aflopen. Dan heb je de muziekliefhebbers en fans, mensen die puur voor de muziek komen. In een nieuw ontgonnen gebied op dit vlak trekt het natuurlijk ook nieuwe bezoekers aan uit de streek. Nieuwsgierige mensen die wel eens een muziekfeest willen meemaken. Zijn we er dan met het publiek typeren en in een hokje zetten? Helaas niet. Het laatste type bezoeker is er eentje waar ik me toch wel een beetje aan erger: de nieuweling die denkt dat hij of zij op een of andere braderie of pleinfeest is.
Op zich heb ik geen problemen met deze mensen an sich. Helemaal niet. Gezellige mensen die komen voor een biertje en het zonnetje. Lekker op het terras of zittend in het gras. Veelal vriendengroepjes van buurmannen uit de straat of vriendinnen groepen van veertig plussers die eens alleen met de vrouwen op stap willen. Soms nemen ze zelfs de kinderen mee. Kleine kinderen. Hoe onbegrijpelijk ik dit ook vind, het geeft natuurlijk wel een extra dimensie aan het campinggevoel. Het mag duidelijk zijn. De muziek staat niet op de eerste plaats, maar dat is de gezelligheid en voor de veertig plussers misschien ook wel de nostalgie van het “vroeger deden we dit ook altijd.” Leuk, ik kan er van genieten om te zien hoe deze mensen helemaal opleven, gein hebben en lekker mee dobberen op het ritme van het feest.
Toch is er ook een keerzijde. Een deel slaat door. Dit merk je zodra hun kroost zich begint te schamen voor hun vader of moeder en de drank begint te werken. Opeens voelen ze zich weer zestien en menen dan ook allerlei zaken te moeten doen van die leeftijd. Bleef het daar maar bij. Ik zie de humor nog wel in van dansende moeders in net iets te strakke lange jurken met foute ondergoed dat er dwars doorheen drukt, met de schouderband diagonaal tussen de borsten hun handtasje dragend. Vaders die net niet hun horecaspoiler kunnen bedekken in hun net iets te kleine hippe T-shirt. Die meedansen op John Coffey en vervolgens met een tand door de lip weer afdruipen. Ik heb er respect voor. Niets van aantrekken van wat de meute denkt, gewoon jezelf laten zien op je aller raarst. De alcohol helpt wel een handje.
Waar erger je dan aan? Ik ben zelf ook een gerespecteerde oude jongeling en ooit zal ik ook de grenzen van schaamte bij mijn kroost overschrijden. Maar mocht ik ooit als een volslagen Popie Jopie met een plastic bekertje bier tussen mijn tanden geklemd, midden tijdens een optreden, vlakbij het podium drukker bezig zijn met facebook en selfies op mijn mobieltje, dwars door de muziek schreeuwend pratend met mijn evenzo wannabee tiener vrienden. Mocht je me ooit zo zien? Flikker me dan alstublieft het podium af en vang me niet op.
Hadden ze dit ook maar gedaan bij een groep vrouwen op het nieuwe festival. Daar stonden ze vlak voor het podium. Al lallend en opzichtig dansend, wat in hun ogen grappig of sexy er uit moest zien met de rug naar de artiest toegekeerd. Druk kletsend hoeveel reacties ze wel niet hadden op facebook en druk foto’s van elkaar makend van hoe dicht ze wel niet bij de artiest stonden, van wie ze geen idee hadden wie het was. Wat gaf het? Dat kon je toch niet horen op facebook. Een vent van dito midlifecrisis werd versierd zodat er een groepsfoto gemaakt kon worden. Dat daarbij drie meter voor het podium mensen aan de kant werd geduwd die wél voor de muziek kwamen, interesseerde niet. Zij hadden het gezellig en als een ander dat niet begreep, pech gehad. Ondertussen zwaaide er ook nog een te strakke jurk naar een handlangster vijftig meter verder aan de bar. De wijn was op. Dit werd tig keer herhaald omdat het mutjes bij de biertent de signalen niet begreep. Het overige publiek wilde al beginnen te schreeuwen: Ze moet wijn! We worden asocialer dan we denken…
Lieve dames en heren van de midlifecrisis. Laat het los! Jullie mogen best gek doen. Sterker nog, ik raad het aan! Doe een “hipster” pak aan of een haarband in je haar. Zie er op je mooist en jongst uit. Vier het leven. Leef! Geniet! Denk dat je achttien, zestien of geestelijk nog jonger bent, wat kan mij het schelen. Ik doe het zelf ook. Ik ben ook nog achttien. Twaalf volgens mij vriendin. Onthoudt alleen een ding. Niet iedereen hoeft dit te zien op een festival. Er zijn mensen die komen voor de muziek, de artiesten op het podium en niet voor de aandachttrekkerij vlak er voor. Ga lekker bij de bar staan en doe je malle dingen en laat die saaie muziekliefhebbers en festivalgangers genieten van muziek. Stuur mij de facebooklink en ik bekijk die oh-wat-zijn-we-nog-hip-gekkigheid daar wel

Nirvana

Rock you!

We well, we well rockwell!’
Ik moet zo ergens rond de negen jaar geweest zijn toen ik dit luidkeels meezong op mijn pas gekochte draagbare radiospeler mét cassettedeck. Eentje van het bekende merk Philips met tal van mogelijkheden. De belangrijkste voor mij was toch wel: de record-knop.
Mijn oma had deze radio in haar huis staan en vanaf het moment dat ik dit modern staaltje van techniek zag, moest en zou ik er ook zo één. Maar ja, waar haal je als kleine snotneus het geld vandaan?
Krantenwijk? Te jong. Mijn vader opperde om auto’s te wassen voor geld.
‘Een rijksdaalder per auto en als je de mijne wast vijf gulden.’
Een rijksdaalder per auto? Dat waren wel heel veel auto’s voor een radio. Ik werd fysiek al moe bij de gedachte er aan.
Mijn vader zag hoe mijn gezicht langzaam ontgoochelde trekken begon te vertonen.
‘Oké,’ zei hij. ‘Alleen mijn auto, een week zakgeld en ik praat met oma over de radio’
Mijn gezicht klaarde zienderogen op. Die week zakgeld was in principe al van pa, een auto wassen op zaterdag was te doen. Hoewel, ik moest elke zaterdag wel voetballen en als er geen voetbal was, moest ik met mijn vriendjes buskruit spelen natuurlijk. En als er niemand van mijn vriendjes kon spelen was er natuurlijk “The Transformers” op tv. Ach, daar kwam ik later met papa wel uit.
‘Helemaal goed!’ riep ik enthousiast tegen mijn vader.

In de tijd van twee Nederlandse televisie kanalen waren de Duitse zenders toch wel een beetje de RTL 4 en 5 van de jaren tachtig. Thuis keken we er dan ook veel naar. Zo ook die bewuste avond.
Na lang zeuren en dreinen had ik mijn moeder zo ver gekregen dat ik geld kreeg om mijn eerste pakje opneembare cassettebandjes te kopen. TDK, dat moest het zijn. Dat was hét merk hadden mijn vriendjes me verteld.
Trots zat ik ’s avonds thuis met mijn vingers te priegelen aan het strakke plastic cellofaantje die mijn maagdelijk lege bandjes bij elkaar hield. Vers gekocht bij de HEMA. Op de achtergrond klonk de tv, maar daar had ik geen aandacht voor. Nee, dat cassettebandje moest uit de verpakking en in de cassettedeck van mijn radio. Gesponsord door oma en papa. Dan kon ik eindelijk mijn stem opnemen via het kleine microfoontje aan de voorkant. Best nog wel lastig los krijgen, met afgeknipte nagels.
Stevige deunen klonken er vanuit de woonkamer. Kennelijk was er een muziekprogramma op.
‘…Gonna rock you gonna roll you…’
Klonk niet slecht zo van een afstand. Met mijn tong iets uit mijn mond had ik eindelijk een beginnetje in het plastic, niet lang meer en de bandjes waren vrij!
‘…Let me entertain you… let me entertain you…’
Dat klonk goed!
‘…Tonight!…’
Ik keek op en zag een concert van een of andere rockband in Duitsland. Ik wist het direct! Dát moest ik opnemen. Snel drukte ik het bandje in de radiocassettedeck, snelde naar de tv en plaatste mijn high-tech apparaat voor de speaker. Drukte “Rec” en “Play” in en luisterde naar die fantastische geluiden die uit de televisie kwamen. Ik vroeg aan mijn moeder hoe deze rockgroep heette. Ze wist het niet precies. Jammer. Toen hoorde ik de zanger ‘We are going to rock you.’  tegen het publiek zeggen.
Rockjoe! Zo heette de groep! Ik wist het zeker.
En zo zong ik mijn eerste liedjes mee met een groep die Rockjoe heette. Het bandje heb ik nog steeds. Met pen beschreven staat er op het labeltje: Rockjoe zingt Rockwell.
Later ontdekte ik dat de band Queen heette en dat de liedjes uit een concert in München in 1979 kwamen.
Dankzij het radio-casettedeck van mijn oma, de deal met mijn vader en de gekochte cassettebandjes van het geleende geld van mijn moeder, ontdekte ik een van de grootste rockbands die er bestaan. Ondertussen is het kereltje van negen een man van eenenveertig geworden en kent hij bijna alle liedjes van Queen uit zijn hoofd. Woord voor woord.
Maar als ik dat ene cassettebandje afspeel dan zing ik nog steeds:
We well, we well Rockwell!

Freddie

Bron afbeelding: defrog.dreamwidth.org

De fotograaf from the old days

Veel van jullie zullen het niet weten, sommigen hebben misschien een vermoeden en de hele goede vrienden weten het tot vervelens toe al heel lang. Ik ben een grote Queenfan. Dat is er ergens als kind ingeslopen en nooit meer uitgegaan. Als tiener was ik behoorlijk alternatief qua muziek en uiterlijk. Een echte grunger. Zo kwam ik in tenten waar Nirvana en Soundgarden de boventoon voerden. Waar One van Metalica een soort nationaal volkslied was en waar Bullet with butterfly wings alleen maar fonetisch meegezongen kon worden. Kroegen waar de blauwe rook als een maliënkolder rockgordijn tegen het plafond hing en waar donkere sombere kleding een vereiste was. In dit soort tenten hing ik rond. Een algemeen gewaardeerde lotgenoot van de grunge-gemeenschap.
We riepen dat we ons afzetten van de gevestigde orde, dat we nergens wilden bij horen. Wij waren unieke individuen! Hoe het dan kwam dat wel allen in de zelfde houthakkersblouses rondliepen en onze haardrachten redelijk overeenkomstig waren, losten we op door iemand vuil aan te staren en vervolgens niet te reageren. Sterker nog; mensen die anders gekleed waren dan ons, keken we een beetje raar aan als groep. Máár we bleven moedig roepen dat we allemaal individuen waren. Ach ja. Jeugd. Vandaag te dag gaat het nog steeds zo.
Dat ik destijds tussen alle sombere geklede mensen met een Freddie Mercury shirt rond kon lopen, was dan ook best uniek. Stel je maar eens voor: Een twintigtal pogoënde mannen met een zwart shirt versierd met schedels, metal of occulte toestanden en één lange slungel met een biseksuele besnorde man in bonte kleding op de zijne. Het moet een bijzonder gezicht geweest zijn. Ik kwam er mee weg. Je zou kunnen zeggen dat ik op micro-niveau liet zien dat twee verschillende werelden heel goed samen konden.
Afijn, terug naar het heden. Queen. Helaas bestaat de band vandaag de dag nog uit twee originele leden, maar dat mag de pret niet drukken. Nu heb ik een vriend via de fanclub leren kennen, die net als mij zwaar fan is van Queen. Misschien nog wel erger. Hij verzameld alles wat maar enigszins te maken heeft met Queen. Op zijn zolder liggen zoveel bijzonderheden dat elke fan jaloers zou worden van zijn collectie. De zeldzame keren dat Queen Nederland weer aandoet, ga ik er steevast met hem naar toe. Dit is misschien nog wel een bijzondere, leukere ervaring dan het concert zelf.
Mijn mede-Queengenoot is een aantal jaren ouder dan mij en kan met trots zeggen dat hij concerten in de jaren tachtig heeft meegemaakt, waar ik zelf helaas nog te jong voor was. Ergens daar is het ontstaan dat hij een camera gedemonteerd meesmokkelde de concertzaal in, om vervolgens illegaal foto’s te schieten van het concert zelf. Ondanks alle moderne middelen van vandaag te dag. Platte camera’s, mobieltjes en wat nog meer, doet hij dit nu nog steeds! Ik vind het geweldig om te zien. Deze rocker houdt oude wetten in stand.
Als we eenmaal aangekomen zijn op de locatie, begint het ritueel. Mijn kameraad demonteert zijn grote camera en verstopt vervolgens onderdelen op allerlei plaatsen. In de sokken, in een verborgen vak van zijn jas, achter zijn broek. Overal behalve in zijn tas, want die gaan ze immers controleren. Ja, ja, hij is een echte routinier. Vol verwondering en met een grote glimlach bestudeer ik hem dan hoe toegewijd dit alles gebeurd. Vaak kan ik het niet laten en vraag ik hem of hij wel kan lopen met een lens in de broek. Hij weet best dat ik hem een beetje plaag, maar trekt zich er geen houtsnipper van aan. Respect.
Eenmaal alles goed verstopt, komt er nog een kers op de taart; een extra camera! Voor het geval de grote het laat afweten. Weliswaar een kleine camera, maar ja, die moet ook nog ergens verstopt worden. Als deze ook weg gepropt is, kunnen we op pad. Uiteraard mag ik niet te hard lopen.
Het spannendste deel van de avond is bij de ingang. Gaat het hem weer lukken alles naar binnen te smokkelen? Gelukkig heeft hij twee voordelen: hij is positief brutaal en kan lullen als Brugmann. Het grappige is ook dat ik altijd mag doorlopen. Ongeacht de tassen die ik bij me heb, ik sta zo binnen. Dit in tegenstelling tot mijn vriend. Hij wordt altijd gefouilleerd en steevast vinden de beveiligers alleen maar vier pakjes appelsap. Echt waar. Hoe lullig dit ook klinkt, maar wij drinken tussen alle bierdrinkende mensen, een pakje sap. Daarom des te knapper dat hij die camera binnen krijgt. Als we dan binnen zijn komt er wederom een ritueel; ergens in een hoekje van de concertzaal wordt de camera in elkaar gezet en vlug bewegen we ons ergens in het midden van de zaal. Niet te ver voorin vanwege de drukte en ook niet te ver achterin omdat we wel alles willen zien.
Als het concert dan bijna begint, komt het meeste komische tafereel van de hele avond. Op de bühne, achter het gordijn, hoor je de eerste klanken van de band. Het publiek begint zich te roeren. Tienduizend mobieltjes schieten de lucht in en één camera met telelens.
Ik vraag me dan altijd af hoe de artist dit ziet. Stel je eens voor. Hij komt op, kijkt naar het publiek en ziet honderden kleine lampjes op hem gericht. Dan ineens ergens rechts in de zaal, ziet hij een enorme flits en de spiegeling van een grote glimmende lens. Ik denk dat de artiest inwendig tevreden zou glimlachen en denken: Kijk, dat is nog een rocker van de old days.

Freddie Mercury And Queen Live at Wembley, London

Bron afbeelding: http://www.corbisimages.com

De band in de storm (Arcade Fire)

De band in de storm (Arcade Fire)

 

Pinkpop 2014, het is alweer een tijdje geleden, maar dit verhaal moest me toch van het hart. Mijn vriendin en ik waren er op de maandag. ‘Metal-Monday’ werd het genoemd. En dat klopte wel aardig met bands als Rob Zombie, Avanged Sevenfold en Metalica. Er was uiteraard meer aan smaak en ik denk dat elke type muziekliefhebber wel aan zijn of haar trekken zou komen. Wij in elk geval wel.

Op zich zou ik over Pinkpop geen verhaal geschreven hebben als er niet iets bijzonders gebeurd was. Een normaal verslag kan een blad als Oor of Nieuwe Revue ook wel. Hoe en waar begin ik? Ik begin met een mooie standaard cliché opening:

Het was een warme zomerdag. Warm? Het was bloed heet! De mussen vielen van het dak, of beter gezegd op een festival: De tienergrietjes vielen bij bosjes flauw om ons heen. Er werd gratis gemeente water uitgedeeld op het terrein zodat niemand zou uitdrogen. Zo warm was het dus en zo zou het de hele dag blijven. Tot in de avond dan zou het wat kunnen regenen. Gelukkig heb ik een slimme vriendin en hadden we in ons rugtasje twee poncho’s gedaan. Zij is Fries en ik een Tukker, dus het waren wel goedkope poncho’s. Van de Action. Niks mis mee.

Het was de vuurdoop voor mijn vriendin. Haar allereerste Pinkpop. Ik, ervaren rot als ik ben, nummer zes of zeven. Ben de tel een beetje kwijt door al dat bier van al die voorgaande festivals waar ik ben geweest.

Voordat ik naar de kern van mijn verhaal ga, wil ik toch nog even een mooie zijweg betreden over een bijzondere band.

Kijk, we hadden een band-conflict. Ik wilde graag de band Ghost B.C. zien en mijn vriendin wilde graag naar Kodaline. Een band die naar mijn smaak iets te veel zevert. Sportief als mijn vriendin is, zei ze dat ze eerst wel met mij mee ging en naar een paar nummers op naar Kodaline.

Er hing een mystieke sfeer in de tent waar de band zou komen. Een griezelig deuntje uit de film Eyes wide shut, met als titel: Masked ball, galmde over onze hoofden. Een aantal monniken in het zwart met een dodenmasker beklommen het podium. Mijn vriendin kreeg een zorgelijke blik. De mijne werd meer opgewonden. Een gotisch intro klonk en daarna brak de hel letterlijk los met zware gitaren en stevig drum. De monniken speelden het vuur uit hun armen. Alsof ze voor de duivel zelf speelden. En daar, vanuit de donkerste van de tent achter het podium, kwam een paus-achtig figuur met zijn gezicht geverfd als een doodshoofd.

‘Wow! Bijzonder hè?’ Ik draaide me om naar mijn vriendin, maar zag alleen een lege plek. Tussen al de heavy metalheads door zag ik nog net buiten de tent mijn vriendin staan met een wit weg getrokken gezicht en haar vingers tegen d’r oren gedrukt. Ze had zo mee kunnen doen met de band.

‘Oké, dan maar een stukje Kodaline,’ mummelde ik zachtjes voor mij uit.

Het was een mooie, hete, muziekvolle dag en algauw liep het tegen de avond. En zowel mijn vriendin als ik hadden één band op het hoofdmenu staan: Arcade Fire! Heerlijke Indie-rock uit Canada. Eigenlijk vond ik dat deze band zwaar onderbelicht werd door tv en radio (3Fm). Zij hadden kennelijk aandelen in andere bands. En waar een zekere dj die ook nog eens naamgenoot van mij is, op tv bij hoog en laag beweerde dat een van de opvallende acts John Mayer was, wist het publiek wel beter. Terwijl deze dj vooral zichzelf probeerde te overtuigen dat zijn idool héél goed was, lag het halve veld heerlijk te slapen bij deze zanger op zijn dito-verwekkende muziek. Dat was bij Arcade Fire wel anders, zij wisten een half leeg veld vol te krijgen met wakkere mensen. Wat een indrukwekkend goed concert! En het werd allemaal nog magischer.

We stonden vrij vooraan bij het podium te genieten van de muziek, toen aan de zijkanten op meldborden allerlei waarschuwingen kwamen: Storm op komst! Code Rood! Sms verkeer overbelast. De hitte van dag eiste haar tol. De drukkende benauwdheid van de laatste paar uur was een voorbode op dat wat komen zou. Ik keek in de lucht en heel in de verte zag je een streepje donkerte. Hoe snel zou het hier naartoe komen?

Arcade Fire kreeg door dat er iets loos was en dat was voelbaar. Iets in de muziek veranderde. Het was maar heel iets. Nauwelijks waarneembaar, maar toch voelbaar. De toehoorders voelden het ook en al snel ging er een soort van positieve siddering door het publiek.

De donkere massa kroop als een dikke stroom lava voort in de lucht. De wind woekerde aan. Het was surrealistisch om de hemel zo te zien. Een dikke wat-achtige grijze rand omhulde een spookachtige kleurenpallet van verschillende soorten grijs, rood en wit. Alsof er elk moment een groot ruimteschip door zou breken.

De band speelde als of het ‘War of the worlds’ was. Vol energie en dynamiek. Bij het liedje Tunnels, werd het onvermijdelijk. De poncho’s moesten aan. Overal zag je wapperende plastic regenbeschermers tevoorschijn komen. Al dansend trokken we onze poncho’s aan. Het was onwerkelijk. Was het de euforie? De angst? De muziek? Iets verbond ons massaal op het veld op dat moment. De muziek veranderde in zoete wijn die we gezamenlijk laafden.

Het begon harder te waaien. Op zulke momenten kom je er heel snel achter wat het verschil is tussen een Action en bijvoorbeeld een Hema; Ongeveer tien scheuren meer in een poncho. Verbeten vocht ik tegen de wind om mijn regencondoom goed om te krijgen en uiteindelijk won ik. Naast mij stond mijn vriendin er ook al even charmant bij. Het kon ons niks deren. De muziek werd met de minuut magischer na mate de lucht meer en meer donker aanzwol. Het was iets na zeven uur in de avond, maar de hemel was al inktzwart.

Ergens rond het lied Afterlife (hoe toepasselijk), begon het te regenen. En hoe! Ritmisch vielen de druppels als een grote mellotron op onze poncho’s. Sommige durfallen stonden nog moedig nat te worden in hun shirtje en korte broek. Op hun gezichten tekenden langzame spijt af dat zij niet zo’n blauwe condoom hadden geritseld. Ik echter, was blij dat ik een vooruit denkende vriendin had. Ook al leek onze poncho meer een gatenkaas dan een regenbeschermer. Je bleef toch iets droog.

Het opus magnum moest nog komen. Het nummer Here comes the Nighttime werd ingezet en het hele publiek deinsde mee op de ritmische opening. De regen kwam met bakken uit de lucht en de wind die nu wel stormkracht had, trok aan onze poncho’s. Een onzichtbare klauw die ons als groep uiteen probeerde te drijven. Als een front bleven we staan. Niets zou ons hier wegjagen. En toen kwam de apotheose van het nummer:

‘Here comes the nighttime, here comes the night time, here comes the nightime.’ Een knal. Een regen van confetti werd de zwarte hemel in geschoten. Als natte sneeuw viel het op onze doorweekte kleding. Een bonte kleurenverzameling klevend aan de poncho. Het hele veld veranderde in een grote disco bol tollend in de storm. De euforie steeg tot onmenselijke proporties. We leken wel een grote sekte en Arcade Fire was onze goeroe. Ik was high van de muziek. Wat heet: knetter stoned! Ik danste mijn benen uit het lijf. Normaal dans ik zelden! Al helemaal niet zonder alcohol.

Bij het slot nummer: Wake Up, herkende ik mijzelf helemaal niet meer. Als een biodansa springende Hari Krishna, stond ik met mijn vriendin regendansjes te maken midden in de storm. Welke tover-akkoorden Arcade Fire ook gebruikte, het werkte. Het publiek had de storm verslagen. Een happening in het noodweer.

De muziek stopte. De band bedankte ons en drukte ons op ons hart ‘to be safe.’

Stilte.

Donker.

Langzaam landden mijn vriendin en ik terug op het veld. Het geluid van de storm kwam door onze bubbel van magie. We zagen mensen om ons heen een veilig heen komen zoeken. Mijn vriendin en ik keken elkaar aan.

‘Koffie?’

‘Lekker!’

En zo besloten we het magische concert even absurd te eindigen. Met een bak koffie. Aangelengd met storm water.

Later op de avond, toen we op bed lagen bij onze bed and breakfast, genoten we nog na van Pinkpop op tv.

Geen Arcade Fire te zien. Wel John Mayer. En we vielen met een glimlach in slaap op zijn dito muziek.

 

 

 

 

Gothische rock!

Gothische rock van Ghost.

De storm nadert

De storm nadert

Wat een band! Geweldig!

Wat een band! Geweldig!

Koffie? Lekker!