Het meisje dat volhardde

Het was een frisse ochtend. De Oostenwind was volop aanwezig en zorgde voor ijzig bijtende kou. De afstand van waar de schoolbusjes stonden naar de ingang van de school was onder normale omstandigheden te verwaarlozen, maar met dit weer een uitdaging om al die kinderen er uit te krijgen en naar de ingang toe te loodsen.

De school had een zogenaamde overgangszone; de schuifdeuren van buiten naar binnen, dan een halletje van vier bij drie meter en dan de schuifdeuren met een warmte gordijn naar de aula toe. Alwaar de rest van de school aan vast zat.

Elke ochtend rond acht uur was het een drukte van belang in het halletje. Kinderen kwamen aan en werden vervolgens opgepikt door hun begeleidster die ze vervolgens meenam naar hun klaslokaal. Je kunt je voorstellen dat deze begeleidsters niet veel behoefte hadden om lang in het halletje te blijven staan wachten. Telkens als de schuifdeuren open gingen werd dit vergezeld met bijtende kou die zich langzaam een weg door de kleding heen vrat om vervolgens onder je huid te gaan zitten. Een ijzig gevoel dat uren duurde voor het weer weg was. De schuifdeuren stonden rond acht uur meer open dan dicht. Je behoeft geen Einstein te zijn om te raden hoe de meeste gezichten stonden die ochtend in het halletje. Een diepvriezer was een fijnere plek.

Buiten was er wat tumult. Je zag de begeleidsters denken. Wie maakt er nu stennis met deze kou? Het lawaai kwam algauw dichter bij. Een taxichauffeuse kwam binnen met onder haar linkerarm een huilend kind. Haar gezicht stond op onweer. Ze legde het kind neer en beende boos weg.

Het was een meisje van ik schat een jaar of acht. Haar kleine ronde brilletje stond een beetje scheef op haar hoofd en haar wintersjaal was ietwat verfomfaaid. Ze lag op haar rug in het midden van het halletje. Stampvoetend met haar beentjes die in een rode maillot waren verpakt onder haar spijkerrokje. Waar ze was neergelegd bleef ze ook liggen. Precies daar en ze week ook geen centimeter.

Ander begeleidsters keken een keer op, zagen haar liggen, haalden hun schouders op en gingen verder met hun conversaties onderling of gewoon stilzwijgend blauwbekkend voor hun uitkijkend. Het meisje maakte kennelijk wel vaker stennis. Het maakte in elk geval geen indruk op de rest. Behalve op mij.

Ik hoorde hoe haar gehuil langzaam in volume minderde. Ze lag nog steeds op dezelfde plek. Mocht ze niet zoveel persoonlijk leed hebben gehad, dan zou je het hele tafereel als aandoenlijk kunnen afdoen. Ze had ook een schattig gezichtje. Ondanks haar dikke tranen op haar boze gezicht over het grote onrecht dat haar kennelijk was aangedaan, ondanks dat alles, was het gewoon een scheetje.

De schuifdeuren openden zich weer. De taxichauffeuse stapte lichtelijk chagrijnig naar binnen. Ze had iets in haar hand.

‘Hier.’ Zei ze bozig tegen het meisje met toch wel een moederlijke ondertoon. ‘Ik kan je niet zonder deze naar school laten gaan. Ook al ben je nu onmogelijk.’

Ze drukte het meisje een lange bruine knuffel in haar handen. Als ik het goed heb gezien was het een lange slungelige konijn met een rood sjaaltje. Het meisje griste haar knuffel snel uit de handen van chauffeuse drukte deze stijf tegen haar aan.

De chauffeuse zag dit en haar moedergevoel overwon het van het ochtendhumeur. Ze glimlachte, maar zorgde er voor dat het meisje het niet zag. Zij moest nog maar even nadenken wat ze verkeerd had gedaan. Ze vertrok weer door de schuifdeuren en zou niet meer terugkomen.

Het meisje met de rode maillot lag nog steeds op exact dezelfde plek alwaar ze nu inmiddels vijf minuten geleden werd neergelegd.

Voor enkele momenten was ikzelf even weg bij de schuifdeuren. Ik kwam terug en zag dat het meisje er niet meer lag. Zou ze het opgegeven hebben? Nee.

Ik had zojuist mijn zoon naar het klaslokaal gebracht en was op weg naar huis. In het halletje zag ik rechts het meisje met de rode maillot, in kleermakerszit met haar knuffel bij de kachel. Het konijntje met de rode sjaal hard tegen haar rechterwang gedrukt. Mijn hart smolt. Ze was allang niet meer verdrietig of boos, maar ze wilde nog wel een punt maken. De andere begeleidsters zagen haar wel zitten en ze wisten dat het meisje op den duur wel opgaf en naar haar klas zou gaan. Zij wisten wel beter en keken dan ook verder dan naar haar schattige uiterlijk.

Ik ben een papa, een zwakkeling als het over lief kijkende gezichtjes gaat. Volgens mij hebben alle papa’s daar last van. Het is dan ook maar goed dat er mama’s zijn of begeleidsters die hier doorheen prikken.

Uiteindelijk kwam het meisje met het syndroom van Down al snel Up en ze vervolgde haar weg naar het klaslokaal. Haar knuffelkonijn bungelde trouw met haar mee in haar linkerhand.

 

Knuffelkonijn