Eindtoets groep 8

De wat? Ouders van kinderen in deze leeftijd zullen het herkennen. De kinderen van groep 8 moeten een eindtoets maken. Voorheen ook wel de Cito-toets genoemd, maar tegenwoordig zijn er alternatieve toetsen zodat het maar een eindtoets genoemd wordt. De toets die de rest van je schooltoekomst bepaalt. Althans, zo doet men het overkomen. Maar, eerlijk? Je reinste kul!

Waarom ik dat zo vind is een beetje persoonlijk. Ook ik moest ooit een toets maken. Ik was een laatbloeier, dromer en beelddenker. Schotelde je mij bijvoorbeeld het vak geschiedenis voor in illustraties en ik kon je zo alles over het Romeinse rijk vertellen. Maar gaf je me een lap gortdroge tekst met dezelfde inhoud dan kon ik daar niets lekkers van maken.

In mijn tijd stonden leraren wat minder open voor het feit dat je best wel capaciteiten had wanneer de vorm van lesgeven iets aangepast werd. Simpelweg gezegd: in plaats van taaie rabarber te geven, maak er een mooie moesje van.

Uiteraard was mijn eindtoets net een kilo smerige rabarber en daar ging mijn toets. De druk van het goed moeten doen, omdat je anders op een slechte school komt. Het werd mij tig keer verteld. Faal. Aan de hand van een momentopname werd mij zonder blikken of blozen doodleuk verteld dat ik nog minder capaciteiten had dan het niveau vmbo. Alleen mijn eigen juffrouw en mijn moeder vonden dit klinkklare onzin. Maar ja, wanneer het een autoritaire directeur het zo besliste, wie was dan een ouder van het kind wel niet om dit tegen te spreken? Wat weten zij er nu van? Hun eigen vlees en bloed.

Afijn, kort door de bocht zei mijn moeder ‘fuck you’ tegen de directeur en dankzij haar kwam ik op de mavo.

“Jaren later werd hij een succesvolle columnist.”

Ooit kwamen we deze beste directeur tegen. Mijn moeder kon het toen niet laten hem fijntjes in te wrijven dat haar zoon op het HBO zat. Karma.

Tegenwoordig zullen de scholen wel iets ruimdenkender en moderner zijn, maar toch bekruipt me iedere keer wanneer ik over de eindtoets lees, dat gevoel. Het gevoel dat kinderen beoordeeld worden op een momentopname. Wanneer ik lees dat kinderen van laagopgeleide ouders al gauw een stempel krijgen dat zij dan ook niet veel meer kunnen, tja, dan rijzen mij de haren ten berge.

Er wordt onbedoeld druk op de eindtoets gelegd. Scholen bereiden goedbedoeld de leerlingen voor, maar leggen meteen een soort van stress op deze toets. Media springen er op in, experts, ouders. Opeens is de eindtoets nog hotter dan Pasen. En de leerling? Stress.

Gelukkig zijn er tegenwoordig ‘second opinions’ bij de leerkrachten. Wordt er wat meer gekeken naar het talent van het kind. Alleen, geldt dit wel voor elke school? Hoe vaak lees je wel niet dat de leraar bezwijkt onder de werkdruk? Dat de klassen te groot zijn? Hoe gemakkelijk kan een leerkracht door een vooroordeel heen kijken? Heeft hij hier wel tijd voor? Of worden de ‘lastige’ kinderen meteen weggezet als ‘ADHD’? Of vmbo?

Dat er een soort meetlat moet zijn om kinderen op de juiste school te plaatsen, begrijp ik. Toch wil ik wel een oproep doen aan alle leerlingen van groep 8: deze toets bepaalt niet je toekomst! Kijk naar waar jij goed in bent. Wat is jouw talent? Hoe leer jij het beste? Kies op basis daarvan je school uit. Ben je goed in geschiedenis en je vindt dit leuk? Iets mee doen!

Aan alle ouders. Zet de bril van vader- of moederliefde even af. Kijk realistisch naar je kind en ontdek het talent. Pak haar niet de gitaarles af omdat ze moet concentreren voor wiskunde wat ze niet kan, maar luister hoe goed ze speelt. Waarom gaat haar dit zo gemakkelijk af? Kijk daar naar. Probeer je kind te begrijpen want dat kun je beter dan welke school dan ook. Wanneer je het daadwerkelijke talent hebt ontdekt, steun hem hierin. Dan komt het later allemaal goed.

cito_toets_anp-300x225

Bewaren

Ruimtegolven en zilverfolie

Vroeger toen ik nog een klein dromertje was van onder de meter, sleurde de tv me altijd mee in series als Battlestar Galactica en Buck Rodgers. Liep ik daar als klein mannetje de hele ochtend “biediebiediebiedie” te roepen. Net zolang tot mijn vader mij een slof naar mijn hoofd gooide.
Je drukte twee pollepels in je moeders vergiet en zette dat op je hoofd. Wikkelde je armen in met zilverfolie. Je wilde wel je hele lichaam bedekken, maar dat viel op. Want wee je gebeente als er weer een lege kartonnen rol in de lade lag. De grote rubberen poetshandschoenen maakten het geheel af. Daar stond je dan als een echte Luke Skywalker in de woonkamer. De piekpijp was je zwaard. De walkman een supersonische computer.
Zo snel als je kon, rende je op de snowboots van je pa naar de douche. De teletijdmachine van Barabas. Voor je het wist begaf je je in andere intergalactische werelden. Al zwaaiend met je zwaard liep je de badkamer uit. Vlug haalde je de onderbroeken van je moeder van je wapen die je al wapperend met je piekpijp van het droogrek had af gezwengeld. Ze zouden niet misstaan als zeilen voor een piratenschip, maar dat is een andere fantasie.
Naast mij als sidekick een bloedmooie vrouw slechts gehuld in een zeer korte rubberen hotpants met dito topje. Net zoals in de series. Dat alles afgewerkt met glanzende laarzen tot net boven de knieën en naaldhakken van een centimeter of acht. Tja, kleiner dan een meter of niet, je blijft natuurlijk wel een jongen.
In de herfst en de winter kon je het beste een ruimteheld zijn. Buiten werd het dan vroeg donker en dat maakte het realistischer. Dromerig liep ik dan ’s avonds op straat de hond uit te laten en staarde naar de hemel.
Al die sterren. Geweldig overweldigend! Daar was de Grote Beer en dat kon wel eens Mars zijn. Waar zou Buck wonen? Zag ik nu een ufo? Mijn fantasie wilde zo graag, dat ik soms wel eens een vliegtuig voor een vliegende schotel aanzag. Bij mij was het natuurlijk het gevechtsschip uit Star Wars. Wanneer ik me goed concentreerde zag ik de laserstralen uit de gevechtsvliegtuigen komen.
Buren dachten wel eens dat er iets niet goed met me was, als ik al bliepend en zoemend voorbij kwam wandelen met de hond. Zij zagen het niet. Begrepen niet wat er allemaal mogelijk boven ons kon afspelen. Het mankement van veel volwassenen, ze vergeten hun fantasie. Het middel om onwerkelijkheden werkelijk te maken.

Vorige week zag ik een aantal wetenschappers op tv. Als kleine jochies zaten ze te wiebelen op hun stoel. Ze hadden wereldnieuws. De ruimte trilt. Zwaartekrachtgolven, botsende zwarte gaten, ruimtetijdtrillingen. De termen vlogen enthousiast over de tafel. De ogen fonkelden van plezier en als je goed keek, zag je de nieuw ontdekte werelden in hun hoofd opdoemen.
Jochies met een badmuts op hun hoofd. Achter elkaar aan rennend met zaklampen als laserzwaarden. Een boze moeder die ze maande eens niet zo te dromen en hun huiswerk moesten maken, renden om de salontafel. Opeens stoppend wanneer op tv de sexy sidekick van Buck verscheen. Zouden ze deze rondborstige rimpeling ooit ontdekken ergens achter Mars? Ik zag het allemaal.
Fantasie wordt soms heel langzaam werkelijkheid. In hetzelfde tempo als een ruimtetijdtrilling. Jongetjes en meisjes die ooit trouw zwoeren aan hun fantasie en later als ze groot waren eens écht wilden uitzoeken of Star Wars bestond.
Nu zaten deze kinderen aan tafel met wereldnieuws. De hele wereld zag wetenschappers. Ik zag in zilverfolie verpakte kinderen met een vergiet op hun hoofd.

Vergiet

‘Big Mac is niet ongezond’

Ik heb niets tegen de hamburgerketen, helemaal niet, maar je moet het niet mooier maken dan het is. Je bent gewoon een wereldwijd concern wat veel geld wil verdienen met lage kosten en zo hoogwaardig mogelijk vet. Ook ik trapte hier als kind in. Dat je met je fietsje richting de Mac ging, je een cheeseburger bestelde en met een vol gevoel vertrok dat maar liefst vijf minuten duurde.
Geen enkel kind en puber kan de verleiding van A-merken, snacks en vet weerstaan. Het is een oerdrift die telkens hardnekkig de kop op steekt. Fastfoodketens weten hier met slimme reclames en verleidelijke posters op in te spelen. Dat de wereld vervolgens in een diepe crisis belandde en men noodgedwongen bewuster moest leven, daar kunnen wij niets aan doen.
Eenmaal de toevoer van het zakgeld afgesloten naar het kroost toe, waren opeens de ouders de nieuwe doelgroep. Ze werden gepaaid met worteltjes en appelpartjes. De toon veranderde plotsklaps naar verantwoord gelul door een uit de kluiten gegroeide frietverkoper. Ik citeer:
“We willen op een speelse manier de keuze voor groenten en fruit vergemakkelijken want naar McDonald’s gaan moet wel een feestje blijven.”
Kots, braak, spuug! En dat komt niet van de nepkaas die nog steeds bovenop de hamburger prijkt als een stuk gesmolten vogelpoep. Dacht men nu echt dat elk gezond denkend mens hier in zou trappen? Ja, dat dacht men. Het erge was dat het nog klopte ook! Grote groepen ouders waren blij dat de McDonald’s iets recht praatte wat krom was en toog met hun kroost richting de gezonde fastfoodkeet. Volgevreten met happy meals en Big Macs keerden ze voldaan huiswaarts. De zakken worteltjes en appeltjes bleven ongeschonden op de tafeltjes achter. Iedereen blij. Kinderen een vette snack gescoord, ouders gezonde hamburger gegeten en bij de Mac rinkelde de kassa als vanouds.
Zelf eet ik al tijden niet meer de hamburgers van onze vriend de gele M met zijn clown. De slager om de hoek heeft ze groter en goedkoper. Bovendien heb ik geen zin om siliconentieten te vreten. Dat is namelijk het dertiende ingrediënt van hun patat. Dimethylpolysiloxaan heet het, oftewel spul wat gebruikt wordt voor speelgoedrubber en borstimplantaten. Jummie. De term Big Mac krijgt opeens een nieuwe betekenis.
Het laatste charme offensief las ik onlangs ergens in een krant; iemand was op een dieet van hamburgers en salades van de McDonald’s, negentien (!!) kilo afgevallen. Super shrink me! Hoe dan?
‘Wilt u onze snoeptomaatjes, meneer?’
‘Nee, geen snoep, ik moet aan mijn lijn denken. Doet u mij maar zo’n over verantwoorde cheeseburger met een plakje plastic nep-cheddar, want daar kan ik zo goed van overgeven. Ach, weet u mevrouw, ik doe gek. Doet u mij ook nog maar een portie silconenfrieten met saus en een bak salade. Ik moet nog ontslakken namelijk.’
Natuurlijk overdrijf ik, maar dat doet de Mac zelf ook. Doe gewoon waar je goed in bent. Lok tieners en kinderen en voorzie ze van hun dagelijkse vette bek. Peuter ze het geld los voordat de chips- of kippenneukerfabrikant het doet. Speel niet de heilige M(essias) maar wees de leverancier van alle troep waar de ouders hun kinderen voor willen behoeden. Zo werkt dat.
De McDonald’s gezond? Ja en bij de kerncentrale lopen ze in korte broek rond.

gI_66971_kid with food stuffed

Bron afbeelding: www.prweb.com

Pretpark-horror

Pretparken zouden de gemiddelde bezoeker graag zien zonder broodtrommel. Iets in die zin stond er als vette kop in diverse kranten. Oh, wat erg, dacht ik nog ironisch. Een pretpark zou hierdoor flink verlies draaien in de horeca. Oh, oh, oh, het is toch wat.

Misschien moeten ze bij de pretparken eens wat Hollandse zaken in acht nemen. Ten eerste is dit de zuinigheid. Overal waar we op kunnen besparen, doen we dat. Zo zijn wij, geloof ik, de enige bevolkingsgroep die haar caravan volstouwt met kaas, smac en hagelslag. Nederlandse producten voor een Zeeuwse prijs. Sterker nog, ik denk dat wij een van de weinigen zijn waarbij het gouden schap in de supermarkt niet werkt. Voor alle Nederlanders die waarschijnlijk geen enkel besef hebben waar een dergelijk schap te vinden is: de bakken met artikelen op ooghoogte in de supermarkt zijn de gouden schappen. Nu ben ik 1,92 dus kijk ik er sowieso al over heen. Ik zie meer het verstofte schap.

Afijn, de pretparken. Laten we eens in gedachte zonder broodtrommel naar een pretpark gaan. In het hoogseizoen. Als gezin. We noemen ons zelf, noem eens wat, Henk en Ingrid. We hebben twee kinderen. Jip en Janneke. Ergens in de leeftijd van tien en twaalf jaar.

Gezellig. Na een uurtje rijden arriveren we. Terwijl de kinderen als twee uitgelaten labradors over de parkeerplaats rennen en moeders de vrouw ze terug probeert te schreeuwen, koop ik een ticket om te mogen parkeren. Zeven euro. Oké, dat wordt al een rondje drinken minder op het park. Auto op slot doen en de kinderen bij elkaar rapen. Op naar de kassa.

‘Goh, pap, is dit de achtbaan?’

‘Nee, Jip, dit is de rij van de kassa.’

Een kwartier zweet later bereiken we de kassa. Honderd euro lichter lopen we het park op. Jip en Janneke zijn al zo goed als verdwenen in de drukte. Kinderen, het zijn net kleine tornado’s soms.

‘Moeten we niet achter ze aan?’ vraagt mijn lieve vrouw Ingrid.

‘Welnee, joh. Zodra ze honger krijgen vinden ze ons vanzelf wel. Daar hebben ze een antenne voor.’

Ruim een uur later begin ik me toch zorgen te maken. Normaal hebben Jip en Janneke na een kwartier al trek. Toch wat bezorgd beginnen we het overvolle pretpark af te zoeken. Even word ik nog lastig gevallen door de lokale mascotte, maar die eenmaal afgepoeierd te hebben, kan de zoektocht verder gaan.

Ach, daar komen ze al aangerend.

‘Waar waren jullie toch? Heb je al zoveel attracties gedaan zonder mij?’

‘Nee, pap, we stonden in de rij voor het adventure wildwater land, maar Janneke kreeg honger halverwege de rij, dus zijn we er maar uitgestapt.’

‘Misschien duurt het eten wat minder lang,’ moppert Ingrid naast mij.

We zoeken de dichtstbijzijnde meest culinair kwalitatieve eetgelegenheid op. Ik kan je zeggen dat het vinden van een gehandicaptentoilet makkelijker is. Met wat pijn en moeite vinden we een etablissement dat er van de buitenkant gezien, netjes verzorgd uit ziet. Op zich zien de eettenten er allemaal wel mooi gedecoreerd uit, maar houd het dan ook schoon. Afijn, we wurmen ons een weg langs de tetterende ouders, schreeuwende kinderen en huilende baby’s. Ingrid gaat nog snel even met dochterlief naar het toilet en junior en ik bakenen met pijn en moeite ons territorium af in de rij.

‘Papa, dit is zeker ook niet de achtbaan, hè? constateert mijn bijdehante zoon.

Het gaat mooi vlot. Het eten wordt in hoog tempo uitgeserveerd en de rij slinkt snel. Het baart me ook enigszins zorgen. Het voedsel is wel heel snel klaar. Na onze bestelling, de keuze is patat, patat en gelukkig hebben ze ook nog patat met wat frikandellen, begin ik me ook zorgen te maken of hetgeen wat we krijgen wel onder de noemer: ‘eten’ valt. De kinderen zal het een rotzorg zijn, zodra zij het vet ruiken begint de zucht al te werken. Ik neem er ook nog vier bekers frisdrank bij en het feest kan beginnen. Het dienblad wordt voor mijn neus gelegd en vervolgens worden er porties frites half in een bakje half over het blad gegooid. Het bakje is dusdanig klein dat mijn zoon zich afvraagt of we de patat in twee keer geserveerd krijgen. De bekers frisdrank worden tussen de patat en frikandellen gedrukt en ik mag afrekenen. Na het horen van de prijs overweeg ik mijn deel van de bestelling weer in te leveren want mijn hart krijgt wel een heel erge schok te verwerken. Voor een bedrag waar je in een modaal restaurant goed, gezond en kunstmatigvrij kunt eten, betaal ik de inhoud op het dienblad.

Ingrid komt terug met Janneke net op het moment dat ik een plekje heb gevonden.

‘Dat ging sneller dan de achtbaan, hè pap.’

Jip wordt vervelend.

Ingrid heeft de toiletten van binnen gezien en heeft eigenlijk geen honger meer. Als ik haar vertel wat dit snackgeintje ons gekost heeft, trekt ze nog witter weg en voelt zich gedwongen een paar frietjes te eten. Gezellig. Ondertussen is Janneke ook nog eens gestoken door een wesp die op haar rietje zat. Ook dat nog.

Een kwartier overleven in het restaurant later. Zitten we moe, maar misselijk van onze bijzondere maaltijd te betreuren.. Janneke heeft een lip alsof ze botox gebruikt en Jip stuitert op en neer naar de wc naar het restaurant nadat hij zijn suikerbom helemaal leeggedronken heeft. Ik kijk op mijn horloge en zie dat het alweer mooi opschiet met de tijd. Als we nog een attractie in willen dan moeten dat nu wel een keer doen. We besluiten om de attracties langs te gaan tot dat we er eentje zien waar de rij het minst lang is en waar we met ons allen in mogen. Het is even zoeken, maar we vinden er eentje die aan alle eisen voldoet. We sluiten aan in de relatief korte rij. Dan begint de ellende.

‘Mam, mijn lip doet zeer.’

‘Pap, ik heb honger, mag ik een ijsje.’

‘Ik ben moe.’

‘Ik wil ook een ijsje.’

‘Duurt het nog lang.’

De kinderen beginnen zich in de rij te vervelen. Ze stoten elkaar een beetje aan en schuifelen een beetje tegen elkaar aan. Eerst nog voorzichtig. Ingrid doet haar best haar eten binnen te houden. Dan begint de ellende. Jip en Janneke krijgen ruzie. Nadat ze eerst al koppeltje duikelend over de wachtrijstang bezig zijn, vliegen ze elkaar in de haren. Het geschreeuw zwelt aan. Boze mede-wachtenden staren mij aan. Ik moet ingrijpen. Als je moe bent, een maag als beton hebt en je geld is als water uit je portemonnee uit gelopen, dan heb je een behoorlijk laag kookpunt. Ik pak Jip en Janneke bij de lurven en met wat niet misverstane Bijbelse taal geef ik ze er flink een onder. Het geschreeuw is gestopt. Maar ja, nu huilen ze de boel bij elkaar. Ergens achter in de rij hoor ik iemand kinderbeul roepen en voor mij begint er eentje over de kinderbescherming. Het is ook nooit goed, denk ik. Terwijl Ingrid de schoenen van haar buurman onderkotst, trek ik de kinderen bij elkaar. Onder bedreiging met de dood dat ze net zolang koest moeten zijn tot we in de attractie zitten, halen we het einde van de rij.

‘Gezellig hè?’

Terwijl we gezapig rond dobberen in een bootje, kijkend naar versleten sprookjesfiguren, zit mijn vrouw met een zakdoekje voor haar mond. Janneke kan alleen nog maar mompelen omdat nu haar hele mond is opgezwollen. Jip durft niet meer te zeggen hoe saai dit wel niet is en ik ben allang blij dat ik uit de boze menigte ben ontsnapt. Nog even uitzitten en we mogen weer naar huis. Een fortuin lichter en een voedselvergiftiging rijker.

Pretparken vinden het dus gek dat mensen hun eigen eten meenemen. Ze mogen blij zijn dat er nog steeds gezinnen zijn die van sm houden en nog komen!

pretpark horror

Bron afbeelding: Upcoming.nl

 

Forel Williams (aka Happy moderne kinderen?)

Bedoel je niet Pharrel Wiliams? Ja, eigenlijk wel, maar ik heb liever een forel. Dat is uiteraard persoonlijke smaak. Nadat ik deze artiest met een band en (opname) bandje op Pinkpop als dansende stijve Nederlander heb zien staan, heb ik liever een gerookte Pharrel… euh… Forel.
Over mijn persoonlijke muziekmening wil ik het in dit schrijven niet eens hebben. Het gaat me meer over een moment tijdens dit optreden. De inmiddels dol doorgedraaide hit “Happy” werd ten gehore gebracht. Nu is dit nummer een symbool van vrijheid en positiviteit geworden. Alleen het optreden had zo’n hoog Disney gehalte en zoveel nep, dat er bij mij alleen nog maar de kiezen uit vrijheid er uit kwamen.
Enfin, mijn punt. Pharell stond daar met zijn petje op.
I have a kleppie-ie-ie.
Gemaakt blij te zijn. Via, via hoorde ik dat een aantal kinderen een prijs hadden gewonnen en met de grote Amerikaanse band-artiest op het podium mochten. Its a small world after all. Voor mij het moment om te maken dat ik weg kwam. Toch bleef ik staan, iets zei me dat ik even een klein stukje door moest lijden.
Een tiental kinderen kwamen op om bij Pharrel te staan. Elke fan of zelfs niet fan, zou het gigantisch stoer vinden om op een groot podium te mogen zijn. Ze zouden genieten van het publiek. Stoer kijken omdat zij er wel stonden. Kippenvel krijgen om in de buurt van een beroemdheid te zijn. De kinderen die opkwamen echter niet.
Stuk voor stuk bewapend met een mobieltje kwamen ze op. Allen druk filmend en append. Geen enkel kind nam ook maar enkele notie van Pharell! Ongelofelijk! Als zombies met hun ogen gefixeerd op het kleine schermpje stonden ze daar.
I have an appie-ie-ie.
Pharell, die Amerikaanse overdreven toestanden gewend is, keek om zich heen en moet hebben gedacht:
‘What the fuck are these Dutch kids doing? Standing right next to the big me, mr. Williams.’
De kinderen trokken zich er niets van aan. Ze vroegen nog net niet of hij even opzij kon, zodat ze het publiek beter konden filmen. Pharell ondertussen, liep dansend het verlengde van het podium op en gebaarde de kinderen mee te komen. Dit moest hij meerdere malen doen voordat die kids het door hadden.
Het enige wat ik dacht was: is dit nu onze spontane, enthousiaste jeugd? Je wint een prijs waar menigeen jaloers op is en je gaat er staan alsof het je geen fluit interesseert? Ik kreeg plaatsvervangende schaamte, terwijl ik niet eens van zijn muziek houd! Mocht ik er hebben gestaan tussen die kinderen, had ik spontaan bijval gegeven aan mr. Forel. Ik had alle mobieltjes uit die verwende handjes gegrepen, ze met een grote boog het publiek in gegooid en gezongen:
‘Daar gaat je handy-ie-ie!’

Happy

Bron: Screenshot: Youtube.com

Niet nerf-eus worden

Als het huis een theater zou zijn, dan is mijn raam aan de voorzijde het podium. Althans de straat waar ik op kijk. Soms heb je de mazzel dat er, precies voor je venster, leuke dingen gebeuren.
Zo ook op een heerlijke vrijdag. Ik was vrij, dus mooier dan dat kun je het niet hebben. Ik lag lekker op de hoekbank een boekje te lezen. Kop thee er bij met een stuk chocolade en een muziekje op de achtergrond. Lawaai kwam vanaf straat. Opkijkend uit mijn boek zag ik een groepje jongens van een jaar of negen voorbij mijn raam trekken met geweren. Nerf heten die dingen als ik het goed heb. Plastic geweren waar mee je schuimrubberen kogels kunt afvuren. Het schijnt een rage te zijn. De jongens gingen helemaal op in hun oorlogsspel. Aan hun lawaai te horen, dat dwars door mijn dubbelglas heen ging, waren ze op zoek naar een andere groep. Een soort vlag veroveren speelden ze. Ik glimlachte en moest denken aan mijn eigen jeugd. Waarbij wij liepen met een uit hout gezaagde geweer, die een gele elektriciteitsbuis als loop had. Hele straten maakten we onveilig en heel wat andere groepen jongens hadden we verslagen. Zelf verloren we er ook wel eens eentje.
De jongens verdwenen uit mijn blikveld en ik ging weer door in mijn boek. Niet veel later kwam er een nieuw groepje. Ze waren met hun drieën en weerspiegelden door hun nerfs perfect hun werkklasse, of in elk geval wat hun ouders over hadden om voor ze kopen. Het “armste” jongetje had een overduidelijk tweedehands plastic wapen. Het ding hing van tape aan elkaar vast en ik wed dat zijn kogels gelijmd en wel waren.
Het tweede jongetje had een mooie modale nerf. Dit stuk speelgoed was niet op en top, maar voldeed aan de eisen. Namelijk het schieten van een schuimrubber projectiel.
Het derde jongetje daarentegen, had een arsenaal aan wapens bij zich. Het nieuwste van het nieuwste. Mooie glimmende doorlaad geweren en kleine handzame doorschietpistolen. Hij droeg een linnen tas om zijn schouders met daar in zijn collectie. Hij was de Rambo en zo keek hij ook uit. Kennelijk waren ze de andere groep op het spoor, want ze hadden een zéér serieus gesprek met elkaar. De jongen met de getapete geweer gebaarde mee te komen. De Rambo riep iets om even te wachten. Hij moest wel zijn even zijn beste geweer pakken.
Voor mij ontstond een scene die perfect in een slapstickfilm zou passen. Terwijl de andere twee jongens eerst nog geduldig stonden te wachten, haalde de Rambo zijn linnen tasje van zijn schouders. Hij toverde daar een geweldig duur uitziend wapen tevoorschijn. Deze werd voorzien van kogels. Vervolgens haalde hij uit zijn jaszakken, dat waren er veel, alle kogels van zijn andere nerf. Deze waren kennelijk een andere maat. Hij pakte zijn linnen tasje op. Er viel een geweer uit. Vlug gooide hij de kogels in het tasje en wilde het geweer van de grond rapen. Zijn mooiste geweer viel van zijn schouders. Zijn vriendjes keken een keer verveeld en wachtten. Rambo pakte het tasje en wilde het geweer terug stoppen. Een drietal kogels rolden er uit. Vlug hief hij zijn nieuwe geweer weer om zijn schouder middels een band die er aan bevestigd was en bukte om de kogels op te rapen. Het geweer klapte op zijn hoofd. Zijn vriendjes begonnen te lachen en gebaarden dat hij op moest schieten. De jonge Rambo besloot het slimmer aan te pakken. Hij hurkte en legde alles voor zich op straat. Er kwam een auto. Snel graaide hij alles bij elkaar en ging opzij, waar hij verder ging met zijn pogingen om alles in het gareel te krijgen. Het lukte! De kogels en de twee geweren verdwenen in zijn tas. Het goede geweer ging om zijn schouders alsook zijn linnen tas. Trots stond hij op. Hij wilde heel stoer zijn geweer hangend aan zijn schouder, pakken. Rambo was alleen even vergeten dat zijn tas er over heen hing. Deze kletterde op de grond met als resultaat dat alles verspreid over straat lag. Zuchtend krabde hij zich achter zijn oren. Er zat niets anders op. Weer ging hij op de hurken en doorliep het hele ritueel nogmaals. Ditmaal eerst de tas en dan het geweer over zijn schouders hangend. Het was gelukt!
Rambo stond op en je kon zien dat hij zei:
‘We kunnen jongens.’
Hij keek om zich heen. Zijn vriendjes waren in geen velden of wegen te bekennen. Het wachten zat, waren zij tijdens zijn one-man-show, richting het oorlogsgebied gegaan. Daar stond hij dan. Onze Rambo met zijn high-tech nerfs. Een tel dacht hij na, beseffend dat hij minder leidinggevende capaciteiten had dan hij dacht. Het jochie kon maar een ding doen en dat was vlug richting het slachtveld. Rambo sprintte weg en verloor onderweg een kogel of vier. Hij keek om en zag ze liggen. Hij liet ze liggen. Genoeg tijd verspilt. Mama en papa moesten maar nieuwe kopen. Zijn reputatie stond op het spel.

De voorstelling voor mijn raam was ten einde. Met een inwendig gniffel en een kop thee in mijn hand had ik genoten van deze eenakter. De laatste keer dat ik zoiets had gezien, was in het zwart-wit van een zekere Laurel en Hardy. Mocht deze jongen doorkrijgen dat Rambo niet zijn ding is, dan zou hij zeer zeker een carrière als komediant moeten overwegen.

rambo-nerf-gun

Bron afbeelding: www.fuel.org.au

De wet van papa.

‘Kom nu!’

Het kwam er zeurderige uit dan hij zelf door had. Een vader met drie kinderen kwam de trap opgelopen bij de bibliotheek. Zijn kroost had ik al vijf minuten eerder gehoord toen de schuifdeuren beneden open gingen en een vloedgolf aan prikkels met bijbehorende herrie binnenkwam.

‘Papa, papa, hier is het!’ De grootste van de drie stoof weg van zijn vader en rende een van de gangen in met boeken. Of beter gezegd: met spelletjes en puzzels. Nummer twee en drie volgden hem snel.

‘Jongens doe nu eens zachtjes! In de bibliotheek moet je stil en rustig zijn.’

‘Maar wij zijn rustig,’ stuiterde de tweede voor zijn neus.

‘Ik wil dit! Papa! Ik wil dit!’ De derde duwde nog net niet een puzzel in zijn vaders buik.

Zelf stond ik een gang verder bij de boeken over muziek en theater. Eigenlijk had ik deze gang nu wel bekeken, maar ik besloot om toch nog maar even tussen de boekenplanken door naar de andere gang te spieden. De vader met drie kinderen deed me aan iemand denken.

‘Jongens zoveel mogen jullie er niet meenemen.’

‘Jawel, jawel, jawel, ‘ klonk het als een mitrailleur uit de mond van de derde en waarschijnlijk de jongste. Tevens de drukste. Als prikkels voelbaar waren geweest als luchtdruk, dan waren er op dat moment rijen boeken uit de kasten gevlogen.

‘Papa, we mogen er acht per kind.’ Klonk het van de eerste en de meest rustige van de drie. De vader leek hem ook het meest te vertrouwen.

‘Weet je dat zeker?’

‘Ja, ja, ja, ja, ja!’ schreeuwde de tweede. ‘Anders vragen we bij de balie wel! Kom maar mee.’

En weg stoof de middelste.

‘Hier blijven!’ Een diepe zucht volgde.

Ik vond het best wel knap hoe deze vader zo gepast commanderend streng kon zijn naar zijn zonen toe.

Het jochie wandelde niet begrijpend terug. Pa bond in.

‘Nou, ieders acht dan, maar je hoeft niet per se ac…’

Met de snelheid van drie Tasmaanse duivels gristen zijn zonen acht dingen uit de kasten, zonder ook maar te kijken wat ze namen en duwden dit bij hun pa in de handen die met de mond open naar de puzzels, spelletjes en zowaar ook nog een boek, keek.

‘Dit hoeft toch niet allemaal mee, jongens?’

Een koor van onsamenhangend adhd-gepraat zwol op als een groep kwetterende zwaluwen die zojuist wegvlogen. Je zag de wanhoop op het gezicht van de vader. Waar was hij in Godsnaam aan begonnen? Wat had hij vanochtend gedacht toen hij besloot om zijn zonen mee te nemen naar de bibliotheek. Ze leken duidelijk op hun moeder, zag je hem denken. Een algemeen gemakkelijk verwijt dat wij mannen wel durven te denken, maar niet hardop durven te zeggen. De enkelen die dit wel durfden hebben waarschijnlijk nog jarenlang dit moeten bezuren.

Hoe komisch het tafereel ook was, ik had ook wel een beetje met hem te doen. Inmiddels wist ik aan wie hij me deed denken. Aan mezelf. Nee. Beter nog: aan alle vaders. Alle papa’s die wel eens denken: Ik houd hiervan, dus mijn zoon of dochter automatisch ook. Mis. Op enkele uitzonderingen na, zijn kinderen vaak in van alles geïnteresseerd, behalve in wat jij leuk vindt. Noem het maar de wet van papa. Het is altijd wel bewonderenswaardig hoe vaders dit systematisch negeren en blijven proberen. Net zoals de vader een gang verder in de bibliotheek.

De kinderen sprintten met hun spelletjes in hun handen richting de trap.

‘Hier komen!’ siste de vadersstem.

‘Wat is er?’ klonk er in koor terug.

‘Het is een bibliotheek, daar ren je niet hard.’

‘Oké.’

De zonen draaiden zich om en renden iets minder hard de trap af. Hun vader achterlatend die nog maar eens diep zuchtte. Hij gaf zich gewonnen en liep met gebogen rug weg. De vader zei het niet, maar ik kon zijn gedachten lezen:

Ik neem ze nooit meer mee.

Wetboek

Het meisje dat volhardde

Het was een frisse ochtend. De Oostenwind was volop aanwezig en zorgde voor ijzig bijtende kou. De afstand van waar de schoolbusjes stonden naar de ingang van de school was onder normale omstandigheden te verwaarlozen, maar met dit weer een uitdaging om al die kinderen er uit te krijgen en naar de ingang toe te loodsen.

De school had een zogenaamde overgangszone; de schuifdeuren van buiten naar binnen, dan een halletje van vier bij drie meter en dan de schuifdeuren met een warmte gordijn naar de aula toe. Alwaar de rest van de school aan vast zat.

Elke ochtend rond acht uur was het een drukte van belang in het halletje. Kinderen kwamen aan en werden vervolgens opgepikt door hun begeleidster die ze vervolgens meenam naar hun klaslokaal. Je kunt je voorstellen dat deze begeleidsters niet veel behoefte hadden om lang in het halletje te blijven staan wachten. Telkens als de schuifdeuren open gingen werd dit vergezeld met bijtende kou die zich langzaam een weg door de kleding heen vrat om vervolgens onder je huid te gaan zitten. Een ijzig gevoel dat uren duurde voor het weer weg was. De schuifdeuren stonden rond acht uur meer open dan dicht. Je behoeft geen Einstein te zijn om te raden hoe de meeste gezichten stonden die ochtend in het halletje. Een diepvriezer was een fijnere plek.

Buiten was er wat tumult. Je zag de begeleidsters denken. Wie maakt er nu stennis met deze kou? Het lawaai kwam algauw dichter bij. Een taxichauffeuse kwam binnen met onder haar linkerarm een huilend kind. Haar gezicht stond op onweer. Ze legde het kind neer en beende boos weg.

Het was een meisje van ik schat een jaar of acht. Haar kleine ronde brilletje stond een beetje scheef op haar hoofd en haar wintersjaal was ietwat verfomfaaid. Ze lag op haar rug in het midden van het halletje. Stampvoetend met haar beentjes die in een rode maillot waren verpakt onder haar spijkerrokje. Waar ze was neergelegd bleef ze ook liggen. Precies daar en ze week ook geen centimeter.

Ander begeleidsters keken een keer op, zagen haar liggen, haalden hun schouders op en gingen verder met hun conversaties onderling of gewoon stilzwijgend blauwbekkend voor hun uitkijkend. Het meisje maakte kennelijk wel vaker stennis. Het maakte in elk geval geen indruk op de rest. Behalve op mij.

Ik hoorde hoe haar gehuil langzaam in volume minderde. Ze lag nog steeds op dezelfde plek. Mocht ze niet zoveel persoonlijk leed hebben gehad, dan zou je het hele tafereel als aandoenlijk kunnen afdoen. Ze had ook een schattig gezichtje. Ondanks haar dikke tranen op haar boze gezicht over het grote onrecht dat haar kennelijk was aangedaan, ondanks dat alles, was het gewoon een scheetje.

De schuifdeuren openden zich weer. De taxichauffeuse stapte lichtelijk chagrijnig naar binnen. Ze had iets in haar hand.

‘Hier.’ Zei ze bozig tegen het meisje met toch wel een moederlijke ondertoon. ‘Ik kan je niet zonder deze naar school laten gaan. Ook al ben je nu onmogelijk.’

Ze drukte het meisje een lange bruine knuffel in haar handen. Als ik het goed heb gezien was het een lange slungelige konijn met een rood sjaaltje. Het meisje griste haar knuffel snel uit de handen van chauffeuse drukte deze stijf tegen haar aan.

De chauffeuse zag dit en haar moedergevoel overwon het van het ochtendhumeur. Ze glimlachte, maar zorgde er voor dat het meisje het niet zag. Zij moest nog maar even nadenken wat ze verkeerd had gedaan. Ze vertrok weer door de schuifdeuren en zou niet meer terugkomen.

Het meisje met de rode maillot lag nog steeds op exact dezelfde plek alwaar ze nu inmiddels vijf minuten geleden werd neergelegd.

Voor enkele momenten was ikzelf even weg bij de schuifdeuren. Ik kwam terug en zag dat het meisje er niet meer lag. Zou ze het opgegeven hebben? Nee.

Ik had zojuist mijn zoon naar het klaslokaal gebracht en was op weg naar huis. In het halletje zag ik rechts het meisje met de rode maillot, in kleermakerszit met haar knuffel bij de kachel. Het konijntje met de rode sjaal hard tegen haar rechterwang gedrukt. Mijn hart smolt. Ze was allang niet meer verdrietig of boos, maar ze wilde nog wel een punt maken. De andere begeleidsters zagen haar wel zitten en ze wisten dat het meisje op den duur wel opgaf en naar haar klas zou gaan. Zij wisten wel beter en keken dan ook verder dan naar haar schattige uiterlijk.

Ik ben een papa, een zwakkeling als het over lief kijkende gezichtjes gaat. Volgens mij hebben alle papa’s daar last van. Het is dan ook maar goed dat er mama’s zijn of begeleidsters die hier doorheen prikken.

Uiteindelijk kwam het meisje met het syndroom van Down al snel Up en ze vervolgde haar weg naar het klaslokaal. Haar knuffelkonijn bungelde trouw met haar mee in haar linkerhand.

 

Knuffelkonijn

Vossenjacht

 

Iedereen heeft het ooit op een bepaald moment van zijn of haar leven wel eens gedaan. Vossenjacht. Het overbekende spel waarbij je op zoek moet naar raar uitgedoste mensen die ergens rondlopen of verstopt zitten. Het is feitelijk overal te spelen; bos, strand en stad.

Vossenjacht. Als kind heb ik het geloof ik een keer gespeeld. Heb ik het vaker gedaan, dan kan ik het me dan wel niet meer herinneren, dan wel is het ergens geblokt of gewist. Nu hebben ze op de school van mijn vriendin haar zoontje dit fenomeen als een jaarlijks terugkerend iets. Om elkaar als ouder wat beter te leren kennen zeg maar. Of dat na afloop dan ook daadwerkelijk gelukt is, laat ik in het midden, maar dat zal misschien straks iets duidelijker worden als ik het avontuur iets omschreven heb.

Nu is er voor dit verhaal nog iets belangrijks dat je moet weten. Mijn zoon. Nou dat is mooi hoor ik je denken: hij heeft een zoon. Ja, dat klopt. Maar zonder veel uit de doeken te doen is het voor dit verhaal belangrijk te weten dat mijn zoon autistisch is. Hij kan daardoor niet praten. We praten eigenlijk door oogcontact, gezichtsuitdrukkingen en aanwijzen. Dit lukt ons met vallen en opstaan vrij aardig.

Terug naar de vossenjacht. Ik had nog vakantie en zei tegen mijn vriendin:

‘Weet je wat? Ik neem de hond mee en junior en ik gaan gezellig met jullie mee.’

Toen wist ik nog niet wat vossenjacht op een basisschool vol kleine tasmanian devils inhield. Inmiddels ben ik wijzer en grijzer geworden.

We liepen vol goede moed naar school, maar je zag al aan de kinderen wat er te gebeuren stond. Hoe zal ik het zeggen: Ze gingen van een sportvliegtuig-modus naar een F16-stand. Mijn zoon, die niets van een overdaad aan prikkels moet hebben, keek me voor de eerste maal aan met een blik van: ‘Komt dit wel goed?’

Bemoedigend zei ik: ‘Jongen, alles moet je een keer meemaken.’

We kwamen bij de basisschool aan en wat ik daar zag, oversteeg alle adhd en hyperactiviteit wat ik ooit heb meegemaakt. Als een of twee kinderen druk zijn, of wild, of een kleine tornado. dan is dat nog wel te overzien. Behapbaar. In het ergste geval pak je ze bij de oren en creëert de rust die je zocht. Oké, je bent dan even een boeman maar het werkt. Maar wat doe je als tientallen kinderen als woeste wespen om je heen zwermen? Elk met hun eigen prikkelpakket en stem geluid in bepaalde frequentie. Precies. Je wordt stil en trekt wit weg. Dat is ook precies wat mijn zoon en ik deden.

We hadden een groep met een stuk of zes stuiterballen. Het kunnen er ook vier of acht geweest zijn, maar door al dat heen en weer geren met andere groepen was dat moeilijk in te schatten. Ik vond het al knap dat ik de kinderen van mijn vriendin herkende. De groep was als een niet te houden Ferrari, die vos moest gevonden worden. Tactiek? Zoveel lawaai maken, zodat deze wel smekend of het wat stiller mocht, de bosjes uitkwam. Daar gingen ze, plankgas de straat in. De eerste vos totaal niet ziend voorbij. De moeders die mee liepen wuifden driftig met hun armen.

‘Hier zit er eentje!’

Het mocht niet baten. Signalen kwamen niet over in de samengesmolten aura die zich het beste laat omschrijven als storm-cel. Nu moesten de moeders hun best doen om over het volume van de kinderen te komen. In welke toonhoogte doe je dat het beste? Een moeder had de juiste frequentie en zowaar kwamen de kinderen weer terug gedenderd richting de eerste vos. Zij werd al snel omsingeld. Het lukt haar uiteindelijk ook om door de geluidsbarrière van de kinderen heen een letter te geven. Eerste taak volbracht.

Het laat zich raden hoe de rest van de vossenjacht ging. Nu wil ik eigenlijk twee zaken aan je proberen uit te leggen. Eerste heb ik al aardig hierboven geprobeerd: lawaai van buitenaards niveau.

Tweede, en dat is eigenlijk wel het meest hilarische: de gezichtsuitdrukkingen van mijn zoon. Ik zal een poging doen deze te vertalen naar tekst.

Lawaai. Je hebt geluid. Je hebt veel geluid. Hard geluid. Hoog en laag geluid. Meng dit allemaal door elkaar en jij krijgt een zee van immens geluid. Geluid is tot een bepaalde hoogte verdraagzaam, maar overschrijdt het die grens dan komt het in de categorie lawaai. Stel je voor: twintig muggen om je oren; vijf bromvliegen overal bij je in de buurt; radio Oranje bij de buren keihard; twee schriel blaffende hondjes en een labrador die hijgend en kwispelend om je heen draait. Dit komt denk ik nog het beste in de buurt van het lawaai wat zes (of vier, of acht) kinderen kunnen produceren. Gevoelsmatig althans.

Je weet inmiddels dat mijn zoon autistisch is en buiten het feit dat hij zelf heel veel kan prikkelen en lawaai maken, is hij heel gevoelig is voor externe prikkels en geluid. Mijn zoon keek mij aan alsof hij in een totaal surrealistische wereld terecht was gekomen. Hij leek te zeggen:

‘Heb ik nu te veel medicijnen gehad of is dit echt?’

‘Ik vrees dat dit echt is, zoon.’

Hij aanschouwde wat voor en achter hem gebeurde en drie woorden welden in hem op.

‘Oh, mijn god!’

Zijn gezicht stond zo geschokt alsof ik hem zojuist verteld had dat ik hem had ingeschreven voor deze school.

We liepen met ons tweeën een beetje achteraan. Dit om bewust wat ruimte en lucht te geven voor zoon en hond. Af en toe communiceerden mijn vriendin en ik met onze ogen. Zij vond het net zo bijzonder als ik, gezien onze lacherige toestand. Een ruk aan mijn arm. Stel je voor dat net iemand een scheet heeft gelaten vlak bij je gezicht. Kijk dan eens in de spiegel hoe je kijkt. Nou, precies zo keek mijn zoon ook. Alleen niemand had een scheet gelaten.

‘Moet ik nog verder mee?’ Leek hij te zeggen.

‘Nog een klein stukje.’

Weemoedig zakten zijn schouders iets.

‘Wat kunnen kinderen dan veel lawaai maken.’ Die blik kreeg ik.

‘Says who?’ Verweet ik hem terug.

Hij sprong op en neer en keek me quasi beledigt aan.

‘Ik maak functioneel geluid pa!’

‘Nee, je maakt functioneel lawaai.’ Een kleine doch belangrijke nuance verschil.

Een storm van kinderen raasde weer langs ons heen. Windkracht elf. Mijn zoon trok zo mogelijk nog witter weg. Weer een ruk aan mijn arm. Stel je nu eens voor dat je net hoort dat je moeder vier armen heeft en drie ogen. Die reactie die kreeg ik!

‘Oké, oké, ik begrijp de boodschap, we zullen het geluids-inferno verlaten.’

‘Hè, hè,’ leek hij te zeggen. ‘Weg uit deze vossenjacht.’

Ook mijn elfjarige hond scheen opgelucht te zijn. Hij had tenminste dezelfde bevrijdde uitdrukking op zijn gezicht als mijn zoon.

Een tijd geleden was er zo’n ‘one-hit-wonder’, een klein hitje met de titel: ‘What does the fox say?’ Na deze dag begrijp ik heel goed dat vossen geen schijn van kans hebben iets te zeggen. Stil zijn is slimmer en dat zijn ze.

 

vossenjacht

Speelveldje

 

Je kent ze wel: de speelveldjes. Stukjes groene plekken in een stad of dorp bezaaid met speeltoestellen. Stukjes plek voor de kinderen. Een no-go zone voor volwassenen tenzij je een ouder bent, dan word je gedoogd toegestaan.

                Bij mijn vriendin hebben ze ook van deze speelveldjes. Bij een kom ik wel eens langs met het uitlaten van mijn hond. Deze ligt op de zogenaamde moestuinen-route. Dat houdt in: de woonwijk, het speelveld, de spoorovergang, een stukje weiland, de moestuinen en nog meer weiland.

                Nu hebben ze bij dit speelveld een bord staan, wat ik, vanaf de eerste dag dat ik het zag, toejuich: ‘Verboden voor jongeren ouder dan 14 jaar en voor eenieder na 22.00’. Dit staat zo letterlijk op het bord. Een goede zaak.

Het is algemeen bekend dat jongeren ergens vanaf hun twaalfde een langdurige kortsluiting krijgen in hun hersens en omstreken. Dit duurt een aantal jaar en ebt dan langzaam weer weg. In de volksmond noemen we dit ook wel pubertijd. Bij sommigen is het van lichte aard, maar over het algemeen kunnen we stellen dat ouders en scholen vaak op de proef gesteld worden. Positief en negatief.

                Dat bordje op het speelveld zou in elk geval voorkomen dat er scooters met bij behorende hangjeugd de kinderen van de glijbaan af zou jagen en dat de speeltuin vrij zal blijven van peuken, bier en andere rotzooi.

                Toch verontrustte me het een en ander. Ik liep op een dag met de hond langs het veld en zag daar een aantal tieners. Zo tussen de tien en veertien schat ik in. Niks vreemd. Dat mocht immers. Maar het verontrustte mezelf hoe snel ik verviel in stereotypering. Zo zag ik vooral de jongens heel erg hun best doen om een identiteit aan te meten. Fase een van de pubertijd: ik moet ergens bij horen, de individu in mij is niet sterk genoeg tegen een groep. Niks mis mee op zich. Maar als je dan ziet waar ze mee vergeleken willen worden… Tja… Er liep een groepje te voetballen bestaande uit verschillende culturen. Allemaal met een looppasje van een gemiddelde rapper. Een te grote jas met daarop de beroemde stoffen muts (hood) die uiteraard gedragen moest worden. En daaronder nog een pet. Verder een iets te grote broek met iets te dure gympen en als finishing touch: de dure telefoon met bijhorende oordopjes. Allemaal, en ik lieg hier geen woord van, probeerden ze krampachtig een accentje op te zetten. Ik houdt het op Antilliaans en/of Marokkaans.

                Plofkrakers in opleiding, schoot door mijn gedachten. Ik schrok dat ik dit dacht. Was ik dat met deze flinke vooroordeel? Nu vond ik het ook niet helemaal mijn schuld, want deze tieners deden wel stinkend hun best om zo getto-mogelijk over te komen. Inclusief lawaai, rotzooi en grote mond. Maar toch. Thuis zouden ze nog wel netjes zijn. Toch?

                Gelukkig (hier schrok ik ook van), zag ik ook jongens in van die driekwart blokbroeken en polootje. Het type hockey of golf zeg maar. Hup daar ging ik weer. Wederom een vooroordeel. Ditmaal een positieve. Maar toch. Niks niet beter.

                Verder wandelend met mijn hond liet het mij niet los wat ik had gezien en hoe ik er over dacht. Het eerste wat ik dacht was dat hopelijk de kinderen van mijn vriendin en mezelf een ander voorbeeld zouden nemen op hun zoektocht naar hun identiteit. Een rocker of een sporter. Iets. Alles behalve het vereren van een iets wat stoer lijkt, maar eigenlijk diep triest is. Veel invloed heb je er denk ik als ouder toch niet op. Je hoopt maar dat ze niveau genoeg hebben dat ze op een school terecht komen waar weinig van die mutjes (wannabe gangsters) zitten. En hup! Wéér een vooroordeel van deze schrijver. Wederom schrok ik van mezelf. In feite was ik net zo erg als die jochies. Alleen mat ik me geen identiteit aan, maar een oordeel over mensen die ik niet goed genoeg kende om te veroordelen. Ik nam me voor alles maar te vergeten. Het waren ook niet mijn zaken.

                Teruglopend met mijn hond kwam ik langs het zelfde speelveld. Bewust onbewust ging ik wat langzamer lopen om eens wat gesprekken op te vangen. Ik heb hieronder wat flarden uitspraken gezet van wat ik gehoord heb. Twee dingen wil ik er bij vermelden: Er is geen woord verzonnen door mij en dit kwam van alle soorten tieners en jonger die er rondliepen:

‘Ga eens van mijn kankerschoenen af!’

‘Ah joh, kankerlul, rot op.’

‘Houd je kankerbek! Ik ben niet verliefd op die trol.’

‘Kanker eens op kleine dwerg! Je hoort er niet bij!’

‘Schop die kankerbal eens naar mij, klootzak!’

                Ik werd er stil van. Het woordje kanker zaaide zich met eenvoud uit over het hele speelveld. Al was het de kwaal zelf. Ik checkte het bordje. Het stond er echt. Alles wat hier rondliep was jonger dan veertien. Wat moest ik doen? Ik borrelde van woede van binnen, maar was ook te laf om mijn mond los te trekken. Om op te treden.

                ‘Hé! Heeft een van jullie amoeben wel een idee wat het woordje kanker betekend?’

                Ik dacht het, maar durfde het niet te zeggen. Had ook nog waarschijnlijk het woord amoeben moeten uitleggen.

Zowel de mutsjes als de blokjes namen met kinderlijke eenvoud dit woord in de mond. In het bijzijn van kinderen die het vrolijk na-papagaaien. Die waarschijnlijk thuiskomen, het woord roepen en dan een draai om hun oren krijgen.

                Ik herinner me vijf jaar geleden een zestienjarig meisje Richelle dat een actie op touw zette: ‘Kanker verziekt je taal.’ Een tiener die het zover kreeg dat scholen en clubs meededen. Het lukte haar om jongeren en volwassenen bewust te laten worden hoe zeer dat ene woordje kan doen. De strijd tegen het scheldwoord liep voortvarend, maar de strijd tegen de ziekte zelf was een ongelijke. Ze overleed in november 2009.

                Gelukkig hebben de mensen om haar heen de strijd tegen dit scheldwoord opgepakt en tot de dag van vandaag loopt deze strijd.

Richelle, een zestien jarig meisje. Ze had niet op het speelveldje gemogen volgens het bord, maar na wat ik hoorde van de jeugd jonger dan haar die dag, wenste ik dat het hele speelveld vol met Richelles had gestaan. Het kan me niet schelen welke identiteit je graag wilt aannemen, blok, muts, leren jack, emo, maar het kan me wel schelen welk woordenschat je aan neemt of aan laat leren.

                Denk na hoe sneu het eigenlijk is als je zoveel onwetendheid uitspuit. Kijk rond in je familie, overal steekt deze nare ziekte de kop op. Je hoeft dit niet te roepen om bij een groep te horen. Wil je dan toch zo nodig bij een echt stoere groep horen, kijk dan eens op de website van www.kankerverziektjetaal.nl.

                Toch iets met mijn schouders gebogen liep ik weemoedig terug naar huis. Ik was van mijn vooroordelen af. Maar eigenlijk had ik die liever gehad, dan dat nare gevoel in mijn maag wat de hele groep in het algemeen veroorzaakt had.

Bord bij het Speelveldje

Bord bij het Speelveldje