Dode hond

Presidenten geilen op hun eigen macht. Masturberen waarschijnlijk op hun waanideeën. Zelfs al pleegt men een aanslag in hun eigen onschendbaar gewaande land. Zoals de metro aanslag in Rusland.

Trump spant helemaal de kroon. Riep hij immers niet iets over een aanslag in Zweden? Twee maanden geleden? Werkt hij voor de X-files of heeft IS een rattennest dat we nog niet kenden? Afgelopen vrijdag gebeurde er iets in Zweden waar we helaas al aan gewend beginnen te raken. Een aanslag. Een of andere fundamentalistische idioot die geen moeite had te sterven voor de IS. Want dat is kennelijk waar hij zijn geloof aan ophangt. Nou, ik hang nog liever mijn geloof in een bak vol piranha’s dan in die baardende hipster club met flink chromosomen tekort. Maar ja, dat is mijn risicovolle mening. Afijn, zo’n vol haat gehersenspoelde zombie reed dus met zijn vrachtauto vrolijk dood en verderf in de binnenstad van Stockholm.

Het vredige Zweden. Het land waar de gelijke rechten hoog in het vandel staan. Waar zij andersdenkenden proberen te accepteren, is het andersom wel eens moeilijk. Een fundament leggen wil Zweden. Fundamentalistisch worden, wil de hipster haat club. De contradictie ten top.

Ik zag de foto’s van de aanslag. Ik zag lijken met dekens bedekt. Ik zag een hond. Dood met zijn ingewanden uit zijn buik. Geen deken. Waarom niet? Zijn halsband nog om en het lijndeel lag netjes uitgerold bij hem. Alsof zijn baasje elk moment kon terugkomen. De rode bandsporen van bloed liepen vlak langs het arme beestje. Mijn ogen werden betraand van het zien van dit beeld. De dode hond had nooit weet van het leed dat er in de grote wereld afspeelde.

Een uurtje daarvoor had hij waarschijnlijk nog met een balletje zitten spelen. Of zitten kwijlen bij zijn etende baasje. Kom, had zijn baasje gezegd, we gaan een blokkie om jongen. Even een luchtje scheppen.

Kwispelend had hij tegen zijn baas aan gesprongen. Joepie, we gaan lopen! Halsband om en gaan. Vrolijk met zijn baasje door de stad die Stockholm heet.

Hij had de vrachtauto nog wel gehoord. Ach, dacht het hondje, er rijden zoveel van die grote metalen monsters. Misschien was dit wel zijn laatste gedachte geweest.

Al kwispelend is hij de hondenhemel ingereden. Wat rest is die foto. Onbedekt. Laat ik hem dan bedekken met liefde.

Alles wat ik zie op de foto’s wekt woede op. Maar wanneer ik die dode hond zie, voel ik verdriet. Wie in onwetendheid leeft, leeft in vrede. Maar helaas geldt ook voor hen dat de duivel altijd om de hoek schuilt.

dode hond effect

Bezorgde hondenbrokjes

Mijn hond Teun is met pensioen. Heeft hij zijn hele leven dan gewerkt en heeft deze trouwe viervoeter zijn rechtmatige leeftijd behaald? Ongeveer negen jaar in hondenjaren. Nee, hij heeft voor geen meter gewerkt. Zelfs luisteren was een uitdaging voor hem. Zitten deed hij alleen maar voor een hele zak hondenkoekjes. Voor eentje draaide hij niet eens zijn kop om!
Hoe zit het dan precies? Teun is slachtoffer van een voltijds werkende baas. Zijn baasje werkt zesendertig uur, wat nodig is om onder andere zijn brokken en andere aanverwante viervoeter artikelen te bekostigen. Tja, wat gebeurd er dan? Ondanks de grote liefde voor zijn labrador en zorgzaamheid, leed de hond een eenzaam bestaan. Van vroeg in de ochtend tot laat in de middag moest hij in de gang zitten. Tussen de middag kwam zijn baasje even thuis om met hem te wandelen, maar dat was het dan ook. S’ avonds werd het nog wel ruimschoots goed gemaakt met geknuffel en brokken. Toch was het niet leuk. Teun leidde een hondenleven.
Gelukkig heb ik ouders die gek zijn op honden en een vader die met pensioen is. Teun was er wel eens een paar dagen als logé geweest en van het een kwam het ander. Mijn vader bood aan om hem voorgoed bij hun te laten. Het beestje was inmiddels twaalf jaar oud en zo kon hij nog mooi van zijn oude dag genieten. Daar kon hij de hele dag rondrennen in de grote tuin van mijn ouders en was er aandacht voor hem. Met pijn in mijn hart heb ik hier mee toegestemd. De smart ebde snel weg omdat ik nu wist dat hij zeer vlakbij was, met een goed leven.
Nu zijn we ruim een jaar verder en Teun is nog steeds onder ons. Af en toe komt hij nog bij me en dat is heerlijk! Even weer ravotten en veel haar verzamelen in de woonkamer. Even ouderwets ergeren als hij weer in de weg ligt of als je ’s nachts je nek over hem breekt als hij precies in de deuropening ligt. Heerlijk!
Een gek sprongetje, maar ik moet even overschakelen naar een andere passie van mij. Lezen. Lekker! Ik lees alles! Boeken, strips, achterkanten van artikelen. Alles! Nou ja… Chinese menukaarten heb ik tot op de dag van vandaag veel moeite mee. Ook al beweerd onze lokale Chinees dat het toch echt Nederlands is wat er staat.
Aangezien ik een liefhebber ben van fantasy-boeken, is denk ik twee derde van mijn boekenkasten gevuld met dit genre. Van Maryson tot Schaap en van Feist tot Weiss en Hickman. Zit er een draak in en Michiel is om. Zo af en toe is het lastig om vertaalde boeken te krijgen. Dan zit er niets anders op om deze te lezen in de oorspronkelijke taal. Veelal Engels. Zo heb ik net Harry Potter in het Engels uitgelezen en heb een start gemaakt in een serie van Garth Nix. Deze boeken moeten vaak besteld worden want in de contreien waar ik woon zijn weinig Engelstalige fantasy-boeken te vinden. Zo kom ik met de meest bizarre brug weer terug bij Teun. De niet zo fantasy-hond.
De boeken die ik bestel worden altijd bezorgd door een en dezelfde pakketdienst. Of ze nu van een Bol komen of van een Bruna, het is steevast hetzelfde witte busje wat voor mijn deur stopt. Ergens rond half zes in de avond klinkt dan de deurbel en het lieve vrouwtje met de paardenstaart en netjes in bedrijfskleding staat dan klaar met het pakketje voor mij. Dit gebeurt al een paar jaar lang. De pakketbezorgster kent mijn hond. Zij kwam al langs met boeken toen Teun nog in de gang zat te wachten. Ze bleek een dierenliefhebster te zijn.
Op een avond belde ze aan met een pakje voor me. Ik dankte haar en wilde de deur al sluiten. Ze gebaarde me te wachten. De bezorgster grabbelde iets uit haar zak en richtte vervolgens een gesloten vuist naar me.
‘Hier, voor de hond.’ Ze opende haar hand en in haar palm lagen hondenbrokjes.
Ik werd er warm van. Wat lief! Dat heb ik ook tegen haar gezegd. Ik riep Teun en liet het haar zelf geven. Een kwispelende dankbaarheid als gevolg. Het werd een traditie. Elke keer als zij kwam, was het traktatie voor mijn hond.
Wat maakt het nu allemaal nog bijzonderder om er een verhaal aan te besteden? Veel. Teun woont niet meer bij mij, zoals jullie nu weten. De boeken wonen nog wel bij mij. Ze worden nog steeds met regelmaat besteld. Vaak rond de tijd van bezorging, lig ik op de bank bij het raam. Ik zie dan het witte busje aankomen. Zij, met de paardenstaart, stapt uit en ziet mij. We zwaaien naar elkaar. Hoopvol zie ik haar mijn woonkamer in kijken. Zou ze het ondertussen weten dat hij hier niet meer rond loopt? Ik weet het niet.
Ik open de deur. Zij begroet mij terwijl haar ogen de gang achter mij bestudeerd. Dit doet ze sinds ruim een jaar elke keer als ze komt. Ik begroet haar terug en neem het pakketje in ontvangst. Nog steeds grabbelt ze in haar zak. Een gesloten vuist komt weer mijn kant uit.
‘Voor de hond, hij zal wel in de kamer liggen?’
‘Ja, hij slaapt,’ lieg ik dan.
Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen de waarheid te vertellen. Dat hij hier niet meer is, maar van zijn pensioen geniet bij mijn ouders. Aan alles zie ik dat dit iets is wat haar drijft om met liefde pakketten te bezorgen. Steevast leg ik de brokjes op het kastje in de gang, dan bedank ik haar en beloof dat ik Teun een knuffel zal geven.
Heel raar, maar op dat soort momenten steekt het bij mij ook. De hele tijd ga je met je leven door. Je werkt, je geniet, schrijft, leest, alles wat je maar blij maakt of noodzakelijk is. Dan opeens, met dat ene kleine moment aan de voordeur, staat alles even stil. Het besef. Ook al heb je het juiste gedaan, het is moeilijk wennen op zulke ogenblikken.
De hondenkoekjes laat ik liggen op het kastje. Een paar dagen lang. Het interesseert me eigenlijk niet dat het slordig staat of ongedierte aantrekt. Het geeft me heel even het gevoel dat Teun weer even terug is. Terug in de gang.
Eigenlijk ben ik de bezorgster hiervoor dankbaar. Zulke mensen zijn er niet veel. Daarom, zolang zij bezorgt, zal ik ze aannemen. Ook al ligt mijn trouwe vriend Teun een paar kilometer verderop heerlijk te slapen op de bank met een groot bot.

labrador

Bron Afbeelding: www.hondenrassen.nl

De dorpsparagnost

Ik heb een tijdje in een heel klein dorp gewoond. Nou ja, tijdje. Tien jaar ongeveer. Het dorpje telt ongeveer duizend inwoners. Mijzelf meegeteld.

Zoals ik tegen het dorpje aankeek, zou je kunnen zeggen dat zij een soort van mini-afspiegeling is van de hedendaagse maatschappij. Onder de duizend inwoners telde het dorpje: twee gezinnen van Turkse en Marokkaanse komaf, een Afrikaans gezin, een homostel, een lesbisch stel en een paragnost. Over de laatste wilde ik het eens hebben.

In het dorpje heerste er een hele serene doch nuchtere rust. Het overgrote deel van de inwoners was toch wel meer van uit de boerenklei en doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Heel het dorpje? Nee, een man vocht moedig terug tegen de nuchtere invasie. Om maar eens een beroemde strip te quoten. Deze man had zichzelf bestempeld als paragnost, ziener en in contact-komer met het hiernamaals. Zijn praktijk was aan de hoofdstraat gevestigd en was goed herkenbaar door allerlei fleurige spirituele tekeningen voor het raam. De beste man was niet zomaar spiritueel, nee hij had er zelfs diploma’s voor. Dus er was ooit iemand geweest die voorzag, dat onze dorpsparagnost een ziener was. Dat had hij dan kennelijk helder gezien. Hoe zou dat examen gegaan zijn?

‘U bent geslaagd dorpsparagnost. ‘

‘Ja, dat zag ik al aankomen.’

‘Ja, dat wist ik dat u dat zag…’

Maar ik dwaal af.

De helderziende die wij hadden, leek geenszins op hoe een helderziende er uit hoort te zien. Nu ben ik zelf best wel geïnteresseerd in het spirituele en ik sta er ook heel erg open voor, maar bij hem ging ik behoorlijk dicht. Wat ik in de jaren aan spirituele mannen heb gezien, waren toch kerels die het aandurfden met hun hart leven, milder van aard en doen en zo zagen ze vaak ook uit. Wat “groener” gekleed zeg maar.

Onze ziener had heel bijzondere gaven. Zo kon je hem al van mijlen ver horen aankomen. God wat kon die man vloeken. Met zijn fietsje en hond, het type is me even ontgaan, kwam ik hem regelmatig tegen op het fietspad. De dorpsparagnost had nogal de vervelende gewoonte om tegelijkertijd met mij de hond uit te laten. Alsof hij het wist! Meestal hoorde ik hem wel aankomen en wachtte ik tot hij voorbij gefietst was.

Nu moet ik er nog wel iets bijzeggen. Onze dorpsparagnost kwam uit het westen des land. Het dorpje was behoorlijk oosters. Zijn westers accent sprong er dan ook met vlag en wimpel bovenuit. Ook omdat hij behoorlijk luidkeels was.

Ik stond met mijn hond te wachten langs de kant van de weg en daar kwam hij aan de andere zijde van de straat. De ziener van middelbare leeftijd. Zijn te lange haren met korte kleine krullen, wapperend in de wind. Zijn fiets piepend en krakend. Zijn vaal blauwe trainingspak flapperend langs zijn ooit witte gympen. Zijn bierbuik half leunend op de tussenstang. Zijn hond als een soort van een-honds-husky sleurend aan zijn fiets.

Kennelijk had hij de komst van de elektrische fiets ook niet voorspeld, hoewel een hond iets goedkoper is in aanschaf, maar tel je daar het voer bij op… ik dwaal weer af. Enfin, daar stond ik en daar kwam hij. Onze fietsende Haagse Harry.

‘gloeiende, gloeiende, gloeiende, gloeiende, gloeiende!’

Zijn hond de tong twintig centimeter kwijlend uit zijn bek en zijn baas ongeveer twee en half centimeter. Ik staarde ze na toen ze rechts uit mijn beeld verdwenen.

Alsof zojuist de trein passeerde.

Voor de zekerheid verzekerde ik me er van dat onze dorpsparagnost echt verder was. Er stond hier ook geen bord:

Pas op! Er kan nog een schreeuwend trainingspak voorbij fietsen!

Niemand meer te zien, ik kon mijn weg vervolgen.

 

Een keer ging het helemaal mis. Ik liep weer eens met mijn hond richting fietspad, kwam bij de weg aan. Links, rechts. Geen lawaai. Mooi, de route leek paragnosten-vrij. Ik stak over en wandelde een beetje met mijn hond langs het fietspad.

‘gloeiende, gloeiende, gloeiende!’

Oh nee!

Ik draaide mij om en daar zag ik het vaalblauwe trainingspak, een T-shirt met daarop “I see dead people”, waarbij het woordje “people” behoorlijk er uitsprong op zijn horeca spoiler. ik kon de tekst van het shirt lezen. Ze waren wel heel erg dichtbij.

Ik hield mijn hond korte en zette mij schrap.

‘Gloeiende, gloeiende, gloeiende!’

Het gehijg van de hond klonk als een defect espresso apparaat. Ik staarde naar mijn hond, maar deze had geen enkele interesse in het hijgend hert of zijn reutelende baas. En toen gebeurde het.

De hond van de dorpsparagnost, trok plotseling naar links en liep zo de sloot in die naast het fietspad loopt.

‘Gloeiende, gloeiende, gloei…’ Plons!

Een hoop lawaai en gerammel. De hond schiet los en zijn baas schoot met zijn hoofd vooruit zo de sloot in. Twee bruin-witte gympen spartelden mijn kant uit. Mijn hond en ik keken elkaar even aan. Net op het moment dat ik de helpende hand wilde toereiken, begon onze dorpsparagnost mij allerlei voorspellingen te doen.

‘Krijg de tyfus, klootzak! Ken je niet uitkijke. Je ziet toch dat ik er an kwam fietse.’

En dan zeggen ze dat Twentenaren de “n” inslikken. Hij ging maar door met schelden. Ik kwam er een keertje tussen dat hij het toch helemaal zelf had gedaan, maar toen liep hij helemaal leeg. Zelfs zijn hond schrok er van. Hij keek me aan met een paar grote ogen alsof hij sorry voor zijn baas wilde zeggen. Goed, ik wachtte rustig af tot onze helderziende luchtballon klaar was met zijn onmacht en liet mij van mijn beste kant zien.

‘Nu kunnen we twee dingen doen. Of je ik laat je daar in de sloot liggen, waar je lekker kunt doormodderen met het geschreeuw. Of je houdt je mond even voor een paar minuten en ik help je er uit.’

Stilte. Heerlijk. Rasta Krullemans leek even te wikken en te wegen daarna mompelde hij wat en stak zijn hand uit. Hij had zijn situatie snel ingeschat en koos eieren voor zijn geld. Met enige moeite trok ik de goed gevulde dorpsparagnost uit de sloot. Volgens zijn shirt zag hij nu vooral modder en gras. Daarna pakte ik zijn fiets en zette deze voor hem neer. Hij mompelde wat. Terwijl ik de leiband van zijn hond pakte vroeg ik wat hij zei.

‘Dankjewel.’

‘Graag gedaan hoor.’

Hij griste vlug de leiband uit mijn hand en sprong op zijn fiets. Ik wilde hem nog naroepen met een bijdehandte opmerking van dat hij die sloot vast niet had zien aankomen. Maar dat leek me zo voorspelbaar.

68_madame_soleil-bis

waarzeggerbol

Speelveldje

 

Je kent ze wel: de speelveldjes. Stukjes groene plekken in een stad of dorp bezaaid met speeltoestellen. Stukjes plek voor de kinderen. Een no-go zone voor volwassenen tenzij je een ouder bent, dan word je gedoogd toegestaan.

                Bij mijn vriendin hebben ze ook van deze speelveldjes. Bij een kom ik wel eens langs met het uitlaten van mijn hond. Deze ligt op de zogenaamde moestuinen-route. Dat houdt in: de woonwijk, het speelveld, de spoorovergang, een stukje weiland, de moestuinen en nog meer weiland.

                Nu hebben ze bij dit speelveld een bord staan, wat ik, vanaf de eerste dag dat ik het zag, toejuich: ‘Verboden voor jongeren ouder dan 14 jaar en voor eenieder na 22.00’. Dit staat zo letterlijk op het bord. Een goede zaak.

Het is algemeen bekend dat jongeren ergens vanaf hun twaalfde een langdurige kortsluiting krijgen in hun hersens en omstreken. Dit duurt een aantal jaar en ebt dan langzaam weer weg. In de volksmond noemen we dit ook wel pubertijd. Bij sommigen is het van lichte aard, maar over het algemeen kunnen we stellen dat ouders en scholen vaak op de proef gesteld worden. Positief en negatief.

                Dat bordje op het speelveld zou in elk geval voorkomen dat er scooters met bij behorende hangjeugd de kinderen van de glijbaan af zou jagen en dat de speeltuin vrij zal blijven van peuken, bier en andere rotzooi.

                Toch verontrustte me het een en ander. Ik liep op een dag met de hond langs het veld en zag daar een aantal tieners. Zo tussen de tien en veertien schat ik in. Niks vreemd. Dat mocht immers. Maar het verontrustte mezelf hoe snel ik verviel in stereotypering. Zo zag ik vooral de jongens heel erg hun best doen om een identiteit aan te meten. Fase een van de pubertijd: ik moet ergens bij horen, de individu in mij is niet sterk genoeg tegen een groep. Niks mis mee op zich. Maar als je dan ziet waar ze mee vergeleken willen worden… Tja… Er liep een groepje te voetballen bestaande uit verschillende culturen. Allemaal met een looppasje van een gemiddelde rapper. Een te grote jas met daarop de beroemde stoffen muts (hood) die uiteraard gedragen moest worden. En daaronder nog een pet. Verder een iets te grote broek met iets te dure gympen en als finishing touch: de dure telefoon met bijhorende oordopjes. Allemaal, en ik lieg hier geen woord van, probeerden ze krampachtig een accentje op te zetten. Ik houdt het op Antilliaans en/of Marokkaans.

                Plofkrakers in opleiding, schoot door mijn gedachten. Ik schrok dat ik dit dacht. Was ik dat met deze flinke vooroordeel? Nu vond ik het ook niet helemaal mijn schuld, want deze tieners deden wel stinkend hun best om zo getto-mogelijk over te komen. Inclusief lawaai, rotzooi en grote mond. Maar toch. Thuis zouden ze nog wel netjes zijn. Toch?

                Gelukkig (hier schrok ik ook van), zag ik ook jongens in van die driekwart blokbroeken en polootje. Het type hockey of golf zeg maar. Hup daar ging ik weer. Wederom een vooroordeel. Ditmaal een positieve. Maar toch. Niks niet beter.

                Verder wandelend met mijn hond liet het mij niet los wat ik had gezien en hoe ik er over dacht. Het eerste wat ik dacht was dat hopelijk de kinderen van mijn vriendin en mezelf een ander voorbeeld zouden nemen op hun zoektocht naar hun identiteit. Een rocker of een sporter. Iets. Alles behalve het vereren van een iets wat stoer lijkt, maar eigenlijk diep triest is. Veel invloed heb je er denk ik als ouder toch niet op. Je hoopt maar dat ze niveau genoeg hebben dat ze op een school terecht komen waar weinig van die mutjes (wannabe gangsters) zitten. En hup! Wéér een vooroordeel van deze schrijver. Wederom schrok ik van mezelf. In feite was ik net zo erg als die jochies. Alleen mat ik me geen identiteit aan, maar een oordeel over mensen die ik niet goed genoeg kende om te veroordelen. Ik nam me voor alles maar te vergeten. Het waren ook niet mijn zaken.

                Teruglopend met mijn hond kwam ik langs het zelfde speelveld. Bewust onbewust ging ik wat langzamer lopen om eens wat gesprekken op te vangen. Ik heb hieronder wat flarden uitspraken gezet van wat ik gehoord heb. Twee dingen wil ik er bij vermelden: Er is geen woord verzonnen door mij en dit kwam van alle soorten tieners en jonger die er rondliepen:

‘Ga eens van mijn kankerschoenen af!’

‘Ah joh, kankerlul, rot op.’

‘Houd je kankerbek! Ik ben niet verliefd op die trol.’

‘Kanker eens op kleine dwerg! Je hoort er niet bij!’

‘Schop die kankerbal eens naar mij, klootzak!’

                Ik werd er stil van. Het woordje kanker zaaide zich met eenvoud uit over het hele speelveld. Al was het de kwaal zelf. Ik checkte het bordje. Het stond er echt. Alles wat hier rondliep was jonger dan veertien. Wat moest ik doen? Ik borrelde van woede van binnen, maar was ook te laf om mijn mond los te trekken. Om op te treden.

                ‘Hé! Heeft een van jullie amoeben wel een idee wat het woordje kanker betekend?’

                Ik dacht het, maar durfde het niet te zeggen. Had ook nog waarschijnlijk het woord amoeben moeten uitleggen.

Zowel de mutsjes als de blokjes namen met kinderlijke eenvoud dit woord in de mond. In het bijzijn van kinderen die het vrolijk na-papagaaien. Die waarschijnlijk thuiskomen, het woord roepen en dan een draai om hun oren krijgen.

                Ik herinner me vijf jaar geleden een zestienjarig meisje Richelle dat een actie op touw zette: ‘Kanker verziekt je taal.’ Een tiener die het zover kreeg dat scholen en clubs meededen. Het lukte haar om jongeren en volwassenen bewust te laten worden hoe zeer dat ene woordje kan doen. De strijd tegen het scheldwoord liep voortvarend, maar de strijd tegen de ziekte zelf was een ongelijke. Ze overleed in november 2009.

                Gelukkig hebben de mensen om haar heen de strijd tegen dit scheldwoord opgepakt en tot de dag van vandaag loopt deze strijd.

Richelle, een zestien jarig meisje. Ze had niet op het speelveldje gemogen volgens het bord, maar na wat ik hoorde van de jeugd jonger dan haar die dag, wenste ik dat het hele speelveld vol met Richelles had gestaan. Het kan me niet schelen welke identiteit je graag wilt aannemen, blok, muts, leren jack, emo, maar het kan me wel schelen welk woordenschat je aan neemt of aan laat leren.

                Denk na hoe sneu het eigenlijk is als je zoveel onwetendheid uitspuit. Kijk rond in je familie, overal steekt deze nare ziekte de kop op. Je hoeft dit niet te roepen om bij een groep te horen. Wil je dan toch zo nodig bij een echt stoere groep horen, kijk dan eens op de website van www.kankerverziektjetaal.nl.

                Toch iets met mijn schouders gebogen liep ik weemoedig terug naar huis. Ik was van mijn vooroordelen af. Maar eigenlijk had ik die liever gehad, dan dat nare gevoel in mijn maag wat de hele groep in het algemeen veroorzaakt had.

Bord bij het Speelveldje

Bord bij het Speelveldje