Helden

Ze worden geboren zonder dat zij beseffen dat ze bijzonder zijn. Dan ontwikkelt zich iets. Een talent. Een karaktereigenschap. Iets wat hen bijzonder maakt. Iets waardoor wij als kind, tiener tegen hen opkeken.
Een voetballer, zanger, acteur, maar ook dichterbij huis. Je buurvrouw die elke zaterdag haar bejaarde buurman helpt met boodschappen doen. Een jongen die zich vrijwillig  inzet om de stad schoon te houden. Zo zijn er legio voorbeelden. Iedereen kent wel iemand. Een held die zichzelf niet als held ziet.
Als jochie keek ik tegen de groten der aarde op. Ze waren er gewoon. Dat was normaal. Ik draaide Queen bijvoorbeeld helemaal grijs. Wilde Van Basten zijn of Bergkamp. Speelde onder de douche de solo van ‘Purple Rain’. Het hoorde bij mijn leven.
Op een dag kwam er een kras op mijn beeld van onsterfelijkheid. Freddie Mercury stierf. Hoe kon dit? Helden stierven niet. De hele dag heb ik zoals een puber betaamt, er stoer over gedaan. Dat het me niet deerde. Bij de eerste de beste klanken van ‘The show must go on’ barstte ik echter in tranen uit op mijn kamertje.
De pijn sleet en het ouder worden gaf je nieuwe inzichten. Helden konden sterven. Alleen deden ze dit een hele poos niet. Totdat opeens Jackson gedag zei. Winehouse, Harrison, Thé Lau. Slechts een greep uit de laatste jaren.
In een paar maanden tijd in dit prille jaar hebben daar opeens twee zangers en een voetballegende aan toegevoegd. Veel te jong, maar dat is het altijd.
Prince liet donderdag 21 april echt de duiven huilen. De zoveelste held die van onze aardkloot vertrok.
Ik ben geen jongetje meer. Ik ben een grote vent met een eigen kind. Die zijn eigen helden zal scheppen. Alleen is het kleine kereltje in mij opeens voor de tweede keer met de neus op de feiten gedrukt. De pioniers van toen sterven langzaam uit. Helemaal niet het oneindige leven. Wel voor eeuwig vastgelegd, Mercury galmt nog steeds door mijn woonkamer en ik speel nog steeds, inmiddels, echt gitaar op ‘Purple Rain’.
Het is een harde realiteit waarin ik niet de gave heb het tegen te houden,
Ergens in Minnesota is er misschien wel een baby geboren die over een jaar of achttien de nieuwe held wordt voor vele tieners. Een pionier die de muziek weer verder brengt waar het nu is.
Tot die tijd koester ik de helden die nog zijn. In juni ga ik naar Paul McCartney. Een dinosaurus die weigert te capituleren. Een legende van het eerste uur die zijn onsterfelijkheid zolang mogelijk wil behouden. Ik ga hem zien en koester het. Het kan zomaar de laatste keer zijn.
Helden, ze worden geboren zonder het te beseffen, ze leven  zonder er bewust van te zijn. Pas als ze sterven en neerkijken op onze aarde. Dan pas hebben ze het door. Dat kunnen alleen de échte helden.

Prince2

Rock you!

We well, we well rockwell!’
Ik moet zo ergens rond de negen jaar geweest zijn toen ik dit luidkeels meezong op mijn pas gekochte draagbare radiospeler mét cassettedeck. Eentje van het bekende merk Philips met tal van mogelijkheden. De belangrijkste voor mij was toch wel: de record-knop.
Mijn oma had deze radio in haar huis staan en vanaf het moment dat ik dit modern staaltje van techniek zag, moest en zou ik er ook zo één. Maar ja, waar haal je als kleine snotneus het geld vandaan?
Krantenwijk? Te jong. Mijn vader opperde om auto’s te wassen voor geld.
‘Een rijksdaalder per auto en als je de mijne wast vijf gulden.’
Een rijksdaalder per auto? Dat waren wel heel veel auto’s voor een radio. Ik werd fysiek al moe bij de gedachte er aan.
Mijn vader zag hoe mijn gezicht langzaam ontgoochelde trekken begon te vertonen.
‘Oké,’ zei hij. ‘Alleen mijn auto, een week zakgeld en ik praat met oma over de radio’
Mijn gezicht klaarde zienderogen op. Die week zakgeld was in principe al van pa, een auto wassen op zaterdag was te doen. Hoewel, ik moest elke zaterdag wel voetballen en als er geen voetbal was, moest ik met mijn vriendjes buskruit spelen natuurlijk. En als er niemand van mijn vriendjes kon spelen was er natuurlijk “The Transformers” op tv. Ach, daar kwam ik later met papa wel uit.
‘Helemaal goed!’ riep ik enthousiast tegen mijn vader.

In de tijd van twee Nederlandse televisie kanalen waren de Duitse zenders toch wel een beetje de RTL 4 en 5 van de jaren tachtig. Thuis keken we er dan ook veel naar. Zo ook die bewuste avond.
Na lang zeuren en dreinen had ik mijn moeder zo ver gekregen dat ik geld kreeg om mijn eerste pakje opneembare cassettebandjes te kopen. TDK, dat moest het zijn. Dat was hét merk hadden mijn vriendjes me verteld.
Trots zat ik ’s avonds thuis met mijn vingers te priegelen aan het strakke plastic cellofaantje die mijn maagdelijk lege bandjes bij elkaar hield. Vers gekocht bij de HEMA. Op de achtergrond klonk de tv, maar daar had ik geen aandacht voor. Nee, dat cassettebandje moest uit de verpakking en in de cassettedeck van mijn radio. Gesponsord door oma en papa. Dan kon ik eindelijk mijn stem opnemen via het kleine microfoontje aan de voorkant. Best nog wel lastig los krijgen, met afgeknipte nagels.
Stevige deunen klonken er vanuit de woonkamer. Kennelijk was er een muziekprogramma op.
‘…Gonna rock you gonna roll you…’
Klonk niet slecht zo van een afstand. Met mijn tong iets uit mijn mond had ik eindelijk een beginnetje in het plastic, niet lang meer en de bandjes waren vrij!
‘…Let me entertain you… let me entertain you…’
Dat klonk goed!
‘…Tonight!…’
Ik keek op en zag een concert van een of andere rockband in Duitsland. Ik wist het direct! Dát moest ik opnemen. Snel drukte ik het bandje in de radiocassettedeck, snelde naar de tv en plaatste mijn high-tech apparaat voor de speaker. Drukte “Rec” en “Play” in en luisterde naar die fantastische geluiden die uit de televisie kwamen. Ik vroeg aan mijn moeder hoe deze rockgroep heette. Ze wist het niet precies. Jammer. Toen hoorde ik de zanger ‘We are going to rock you.’  tegen het publiek zeggen.
Rockjoe! Zo heette de groep! Ik wist het zeker.
En zo zong ik mijn eerste liedjes mee met een groep die Rockjoe heette. Het bandje heb ik nog steeds. Met pen beschreven staat er op het labeltje: Rockjoe zingt Rockwell.
Later ontdekte ik dat de band Queen heette en dat de liedjes uit een concert in München in 1979 kwamen.
Dankzij het radio-casettedeck van mijn oma, de deal met mijn vader en de gekochte cassettebandjes van het geleende geld van mijn moeder, ontdekte ik een van de grootste rockbands die er bestaan. Ondertussen is het kereltje van negen een man van eenenveertig geworden en kent hij bijna alle liedjes van Queen uit zijn hoofd. Woord voor woord.
Maar als ik dat ene cassettebandje afspeel dan zing ik nog steeds:
We well, we well Rockwell!

Freddie

Bron afbeelding: defrog.dreamwidth.org

De fotograaf from the old days

Veel van jullie zullen het niet weten, sommigen hebben misschien een vermoeden en de hele goede vrienden weten het tot vervelens toe al heel lang. Ik ben een grote Queenfan. Dat is er ergens als kind ingeslopen en nooit meer uitgegaan. Als tiener was ik behoorlijk alternatief qua muziek en uiterlijk. Een echte grunger. Zo kwam ik in tenten waar Nirvana en Soundgarden de boventoon voerden. Waar One van Metalica een soort nationaal volkslied was en waar Bullet with butterfly wings alleen maar fonetisch meegezongen kon worden. Kroegen waar de blauwe rook als een maliënkolder rockgordijn tegen het plafond hing en waar donkere sombere kleding een vereiste was. In dit soort tenten hing ik rond. Een algemeen gewaardeerde lotgenoot van de grunge-gemeenschap.
We riepen dat we ons afzetten van de gevestigde orde, dat we nergens wilden bij horen. Wij waren unieke individuen! Hoe het dan kwam dat wel allen in de zelfde houthakkersblouses rondliepen en onze haardrachten redelijk overeenkomstig waren, losten we op door iemand vuil aan te staren en vervolgens niet te reageren. Sterker nog; mensen die anders gekleed waren dan ons, keken we een beetje raar aan als groep. Máár we bleven moedig roepen dat we allemaal individuen waren. Ach ja. Jeugd. Vandaag te dag gaat het nog steeds zo.
Dat ik destijds tussen alle sombere geklede mensen met een Freddie Mercury shirt rond kon lopen, was dan ook best uniek. Stel je maar eens voor: Een twintigtal pogoënde mannen met een zwart shirt versierd met schedels, metal of occulte toestanden en één lange slungel met een biseksuele besnorde man in bonte kleding op de zijne. Het moet een bijzonder gezicht geweest zijn. Ik kwam er mee weg. Je zou kunnen zeggen dat ik op micro-niveau liet zien dat twee verschillende werelden heel goed samen konden.
Afijn, terug naar het heden. Queen. Helaas bestaat de band vandaag de dag nog uit twee originele leden, maar dat mag de pret niet drukken. Nu heb ik een vriend via de fanclub leren kennen, die net als mij zwaar fan is van Queen. Misschien nog wel erger. Hij verzameld alles wat maar enigszins te maken heeft met Queen. Op zijn zolder liggen zoveel bijzonderheden dat elke fan jaloers zou worden van zijn collectie. De zeldzame keren dat Queen Nederland weer aandoet, ga ik er steevast met hem naar toe. Dit is misschien nog wel een bijzondere, leukere ervaring dan het concert zelf.
Mijn mede-Queengenoot is een aantal jaren ouder dan mij en kan met trots zeggen dat hij concerten in de jaren tachtig heeft meegemaakt, waar ik zelf helaas nog te jong voor was. Ergens daar is het ontstaan dat hij een camera gedemonteerd meesmokkelde de concertzaal in, om vervolgens illegaal foto’s te schieten van het concert zelf. Ondanks alle moderne middelen van vandaag te dag. Platte camera’s, mobieltjes en wat nog meer, doet hij dit nu nog steeds! Ik vind het geweldig om te zien. Deze rocker houdt oude wetten in stand.
Als we eenmaal aangekomen zijn op de locatie, begint het ritueel. Mijn kameraad demonteert zijn grote camera en verstopt vervolgens onderdelen op allerlei plaatsen. In de sokken, in een verborgen vak van zijn jas, achter zijn broek. Overal behalve in zijn tas, want die gaan ze immers controleren. Ja, ja, hij is een echte routinier. Vol verwondering en met een grote glimlach bestudeer ik hem dan hoe toegewijd dit alles gebeurd. Vaak kan ik het niet laten en vraag ik hem of hij wel kan lopen met een lens in de broek. Hij weet best dat ik hem een beetje plaag, maar trekt zich er geen houtsnipper van aan. Respect.
Eenmaal alles goed verstopt, komt er nog een kers op de taart; een extra camera! Voor het geval de grote het laat afweten. Weliswaar een kleine camera, maar ja, die moet ook nog ergens verstopt worden. Als deze ook weg gepropt is, kunnen we op pad. Uiteraard mag ik niet te hard lopen.
Het spannendste deel van de avond is bij de ingang. Gaat het hem weer lukken alles naar binnen te smokkelen? Gelukkig heeft hij twee voordelen: hij is positief brutaal en kan lullen als Brugmann. Het grappige is ook dat ik altijd mag doorlopen. Ongeacht de tassen die ik bij me heb, ik sta zo binnen. Dit in tegenstelling tot mijn vriend. Hij wordt altijd gefouilleerd en steevast vinden de beveiligers alleen maar vier pakjes appelsap. Echt waar. Hoe lullig dit ook klinkt, maar wij drinken tussen alle bierdrinkende mensen, een pakje sap. Daarom des te knapper dat hij die camera binnen krijgt. Als we dan binnen zijn komt er wederom een ritueel; ergens in een hoekje van de concertzaal wordt de camera in elkaar gezet en vlug bewegen we ons ergens in het midden van de zaal. Niet te ver voorin vanwege de drukte en ook niet te ver achterin omdat we wel alles willen zien.
Als het concert dan bijna begint, komt het meeste komische tafereel van de hele avond. Op de bühne, achter het gordijn, hoor je de eerste klanken van de band. Het publiek begint zich te roeren. Tienduizend mobieltjes schieten de lucht in en één camera met telelens.
Ik vraag me dan altijd af hoe de artist dit ziet. Stel je eens voor. Hij komt op, kijkt naar het publiek en ziet honderden kleine lampjes op hem gericht. Dan ineens ergens rechts in de zaal, ziet hij een enorme flits en de spiegeling van een grote glimmende lens. Ik denk dat de artiest inwendig tevreden zou glimlachen en denken: Kijk, dat is nog een rocker van de old days.

Freddie Mercury And Queen Live at Wembley, London

Bron afbeelding: http://www.corbisimages.com