Aan de Amsterdamse grachten, kreeg ik mijn hart stil

Wanneer het op rijden aankomt, dan heeft mijn vriendin de broek aan. Ik ben een echte rij-held op sokken. Een grotere autist achter het stuur dan mij, zal je niet snel tegenkomen.

Het is wel wat met de jaren verbeterd. Zo rijd ik vandaag de dag met een veel betere pokerface dan voorheen. De totale paniek wordt goed door mijn masker afgeschermd.

Recentelijk togen wij naar Amsterdam. Mijn vriendin reed. Ik toegezegd dat ik wel terug zou rijden. Ik ben toch wel de betere nachtrijder van ons twee. Dat dan weer wel. We hadden de TomTom in de auto dus er kon weinig misgaan. Dat ging het ook niet. Perfect instrueerde het navigatiesysteem ons langs de grachten naar de Europark aan de Marnixstraat te Amsterdam. Wat is het toch ook een topuitvinding, dacht ik toen nog.

Afijn, wij goed aangekomen. Ons verheugend op een avondje Delamar Theater alwaar een zekere heer Finkers door zijn collega’s in het zonnetje gezet werd. Prachtavond! Helemaal naar Amsterdam getogen om vervolgens in een zaal driekwart gevuld met Tukkers naar een Herman eerbetoon te kijken. Dat hadden ze dus net zo goed in Almelo kunnen doen. Waar slechts twee stoplichten zijn. Een op rood en de andere op groen. Dan was er meteen ook wat te doen.

Laat kwamen we uit het theater. Samen met al onze nuchter mede Tukkers genoten van het eerbetoon. Op naar huis.

Moedig stapte ik achter het stuur. De TomTom actief. Wat kon mij nog gebeuren?

File midden op de uitrit van de parkeergarage.

Geeft niets, kan ik mooi nog even bijkomen van de avond.

We bereikten de hefboom.

Ga linksaf.

            Kan niet. Eenrichting straat.

‘We moeten rechts,’ zei vrouwlief ontspannen.

‘Gaan we doen,’ riep ik bluffend vrolijk terug.

De TomTom sputterde niet tegen. Sterker nog, het stippelde een route uit op zijn scherm. Geweldig! Kon ik mooi vlot Amsterdam uit. Met haar mooie grachten.

Ga rechtsaf.

            Ik rechtsaf.

Probeer om te draaien.

            Wat?

Indien mogelijk, probeer om te draaien.

            Nee, dat is niet mogelijk! Er loopt een busbaan!

‘Gvd!’ riep ik met mijn meest vriendelijke agressie. De paniekogen van mijn vriendin hielpen ook niet. Ze wilde net wat zeggen, toen ik een voor mij dapper besluit nam. Ik stuiterde met de Corsa naar de andere kant van de weg. Zoals de navigatie het wilde.

Keer om.

‘Ja, dat heb ik net gedaan!’

‘Hij praat niet terug, lief.’

‘Als hij kan navigeren als een bejaarde, dan kan hij ook wel luisteren!’ beet ik haar terug.

Het systeem herstelde zich en leidde me verder Amsterdam in. Diep, heel diep Amsterdam in! Voor mijn gevoel bestond de stad vooral uit trams en grachten. Mijn gezicht leek op smeltende wax. Hoe de hel kwam ik ooit op de snelweg? Mijn vriendin deed nog een moedige poging.

‘Ik herken het hier, volgens mij moeten we hier rechtsaf.’

Ik rechtsaf.

Probeer om te draaien.

            Zo kwam ik precies voor het Centraal Station uit.

“I Amsterdam” , zag ik ergens staan. I Almelo!

Vraag me niet hoe, maar ik een vlaag van verstandsverbijstering gecombineerd met een totale delirium, vonden we toch nog de weg die ons naar de snelweg moest leiden. Ergens in mijn eigen heksenketel heb ik mijn vriendin nog uitgekafferd. Wel netjes met de vermelding dat ze me op de A1 me volledig op mijn nummer mocht zetten. Dat heeft ze dan ook gedaan.

Aan de Amsterdamse grachten, heb ik heel mijn hart voor altijd verpand. Ja m’n reet! Heb ik heel mijn hart voor altijd verstilt. Dat was een betere tekst geweest.

I amsterdam

Bron afbeelding: Flickr.com

De ontdekking van de hemel (David)

‘De veertigste van Mozart en de liedjes van Jacques Brel
zijn ook ooit verzonnen’, zei ik, ‘toch bestaan ze wel.
Iets kan zijn verzonnen en daardoor juist bestaan.
Dat soms iets niet verzonnen is, neemt men zomaar aan.’

Bovenstaande zette me aan het denken, zoals het met velen van ons doet. Iets wat feitelijk niet bestaat, laat hij ontstaan. In ere herstellen is misschien beter gezegd.
Het citaat komt uit een lied van Herman Finkers waarin hij een discussie bezingt over waarom een hemel niet zou bestaan. Een lied is verzonnen en als het af is, bestaat het. Het kan gaan over een stad. De stad bestaat. Over een dier. Dieren bestaan. Het kan ook gaan over de liefde. De liefde bestaat. Daar hebben we zoiets.
De liefde bestaat. Het is niet tastbaar, niemand heeft het ooit voorbij zien fietsen en toch zeggen we dat de liefde bestaat. Het is een onzichtbaar iets dat tussen twee mensen kan ontstaan er komen vlinders in de buik en we noemen het verliefd. Iedereen zegt het, dan zal het wel zo zijn.
Een verzonnen lied over de liefde kan hét nummer worden bij een stel. Het kan ook een landmark zijn bij het einde van een relatie. Het gebroken hart. Want dat bestaat ook. Niet echt in stukjes, maar wel echt hartzeer. Wederom verzonnen, toch accepteert iedereen het. Het is dus waar.
Waarom is het dan zo lastig bij de hemel? Ik geloof er ook feitelijk niet in. Alleen toen ik het lied van Finkers hoorde, dacht ik:
Ik kan er wel niet in geloven, maar dan geloof ik ook niet in muziek. Of in een goed boek, een schilderij en wat nog meer?
Het aanvoelen van onraad of verdriet. Niet tastbaar. Is het dan wel echt? Of net zo verzonnen als teamspirit? Ik weet het niet. Wat is nu eigenlijk teamspirit? Een groep mensen bij elkaar die zeggen dat ze een hechte band met elkaar hebben. Waar is dan die band. Je ziet hem niet. Verzonnen? Zou je wel denken.
Als we over al die zaken openlijk zouden zeggen dat het verzonnen is en niet bestaat, wat blijft er dan nog over? Niets zeggende fysieke, zaken.
David Bowie stierf op zondag 10 januari. Ik geloofde in zijn muziek. Een ‘Absolute Beginner’ als het aankomt op het gebied van de aarde verlaten. Hoewel hij het als ‘Major Tom’ als eens deed. Zijn muziek, kleding en manier van hier zijn, deed mensen overtuigen dat er veel kon op gebied van kunst en muziek. David verzon het, zijn liefhebbers gaven het bestaansrecht.
Bowie deed iets wat alleen de groten der aarden kunnen: er stiekem tussenuit piepen met veel loftrompet geschal. Gelukkig vulde hij het zwarte gat van leegte die hij achterliet nog enigszins met een album, zo vlak voor zijn dood.
David Bowie is niet meer, maar zijn muziek bestaat nog. Verzonnen liedjes. Als zijn muziek bestaat dan verzin ik daar Bowie bij. Toekijkend van boven hoe wij nog eeuwen lang van zijn verzonnen, muzikale teksten genieten. Zo blijft hij voortleven in onze gebroken harten gevuld met de liefde voor muziek. Als een hecht team zullen we dit blijven doen. Davids jongensboek mag nooit vergeten worden. Als ik me dit maar blijf voorhouden dan is het echt. Een feit. Dan is de hemel net zo echt als ‘Life on Mars’.

There’s a starman, waiting in the sky.
He’d like to come and meet us
But he thinks he’d blow our minds.

David is nu zelf de man van de sterren. Ik geloof in de hemel. Het is een feit. Het gaat niet om het liedje, maar waar het vanuit gezongen wordt. Het hart? Inderdaad. Een verzonnen feit.
Ik verzin de hemel, met Bowie en al.

Bowie-Blackstar-vinylcover

Bron afbeelding: Wikipedia