Kleine zwart-witte Griekse held

Voetbal, een sport voor mannen, maar ook steeds meer voor vrouwen. Wie is er als kind niet mee opgegroeid? Zelfs als je er niets mee hebt, zullen er ongetwijfeld momenten zijn die je herinneren aan het voetbal.
Ik ben geboren en getogen in Almelo, dus ik kon er niet om heen. Er was maar één team. Eén voetbalploeg waar je fan van mocht zijn. Heracles. Het elftal vernoemd naar een superman uit de Griekse mythologie. Wekelijks vochten elf afgezanten van deze held hun strijd in een oud krakkemikkig stadionnetje aan de Bornsestraat. Het was een geweldige periode in mijn jeugd.
Als jochie van een jaar of tien fietste ik samen met mijn buurjongetje richting het stadion. Hoe dichterbij je erbij kwam, hoe drukker het werd. Almelo is een stad, maar voelt aan als een dorp waar iedereen elkaar kent. Prachtig! Opa’s met dikke bolknak sigaren, gezinnen die al wiebelend hun kroost tussen de shag rokende supporters door laveerden, tieners die elkaar al fietsend probeerden te overschreeuwen. Geweldig.
Een paar honderd meter van het stadion kon je de frikandellen en het bier al ruiken. De lampen in de lichtmasten waren ontstoken en je zag een blauwachtige rook vanuit het duister het licht intrekken. Ik weet nu nog steeds niet of dit dauw of een grote voorbij trekkende nicotine-wolk was.
Je fiets gooide je ergens tegen het prikkeldraad van het weiland. Op slot hoefde niet, want in een mum van tijd stond jouw ijzeren ros ingepakt tussen tientallen andere fietsen.
De kassa’s waren nog echt van die houten…., hoe zal ik het noemen? Het had nog het meest weg van een houten toiletbox, maar dan eentje met plexiglas met gaatjes er in. Daar kocht je een kaartje. Een gekleurd papieren frutseltje dat zo van een loterij kon zijn. Het zwembad in Almelo had mooiere entreetickets!
Eenmaal binnen de hekken kwam je in een compleet andere wereld. Alles nostalgisch. De kantine met een grote ouderwetse potkachel in het midden. De tribunes met als paradepaardje de enige nog bestaande houten hoofdtribune, geheel in Engelse stijl gebouwd. Hij staat er vandaag de dag nog steeds! De cafetaria waar de geuren van oud vet en ballen gehakt je verleidde om je laatste zakgeld op te maken. De toiletten waar een schoonmaakster wekelijks met veel glorixtabletten het nog enigszins fris probeerde te laten ruiken. Alles was nostalgisch! Alles ademde sfeer.
Als de wedstrijd was begonnen en de zwart-witten hun best deden eens eentje te winnen in de eerste divisie, hoorde je om je heen een kakofonie van stemmen. Iedereen had een mening. Iedereen probeerde zijn of haar mening ook heel duidelijk over te brengen naar het veld. Stond je daar wel eens als jongetje dromerig een broodje met een heel hete kroket weg te kauwen, schreeuwde er ineens een of andere ouwe bolknakopa een verwensing naar onze nummer drie op het veld. Van schrik nam ik dan wel eens een te grote hap. Ik kan de blaren nog voelen.
In die tijd dat ik nog een jochie was, waren de successen van Heracles op eén hand te tellen. Dat maakte niet uit, het ging om de beleving: van het ernaartoe gaan, tot en met het flesje cola met rietje in de kantine na afloop. Waar iedereen om je heen de nul-drie nederlaag besprak. De familie Heracles zoals men het noemde.
Nu, heel veel later, is er veel veranderd. De Griekse helden voetballen vandaag de dag in de eredivisie en staan zelfs bij de beste vijf. Soms is het ouderwets billenknijpen, maar veel vaker is het genieten van de strijd en de passie die ze leveren bij elke wedstrijd.
Onlangs was ik in het vernieuwde stadion. Ik had kaartjes weten te bemachtigen voor een wedstrijd tegen Ajax. Hoe toepasselijk wil je het hebben? Twee Griekse helden treffen elkaar in Almelo.
We kwamen aan met de auto. Ik zag gezinnen hun kroost door de grote menigte sturen, tieners die aan het indrinken waren. Groepjes mannen met een shagje aan hun lippen. Het stadion voor ons leek immens vergeleken met het oude krakkemikkige stadionnetje van weleer. Dauw trok omhoog in het licht van de stadionlampen. Fietsen stonden rijen dik tegen een hek gestapeld. In het stadion, waar je tegenwoordig mag zitten, zag alles er modern en netjes uit. Verschillende bierpunten waar je tevens diverse snacks kon kopen. Inclusief de gehaktbal. Vroeger betaalde je met guldens, tegenwoordig met een Heracles betaalkaart. Tja.
De wedstrijd was begonnen en in no time stond ons ploegje met nul-twee achter. Achter mij schreeuwde een oude man een verwensing naar onze nummer drie. Ik verslikte me van schrik bijna in mijn bier. Voor mij stond een supporter met regelmaat op en wandelde naar de boarding. Daar begon hij driftig onze mannen te coachen. Blijkbaar had hij het idee dat de échte trainer aan de overkant assistentie nodig had. Ik had nog nooit zoiets koddigs gezien. Ik wilde nog wel een bijdehante opmerking maken, maar na zijn woeste gezicht bestudeerd te hebben, leek mij het verstandiger dit niet te doen.
De nederlaag was een feit. Supporters om mij heen stonden gepassioneerd te bepraten wat er allemaal mis ging en hoe de trainer het wél had moeten doen. Ik stond er met een glimlach tussenin. Het flesje cola met rietje was vervangen door een biertje. Het oude stadionnetje voor een mooi modern stadion, maar de mensen die er kwamen waren geen biet veranderd. Alles ademt er saamhorigheid en nostalgie. Geen toestanden, geen gedoe. Gewoon zijn, dat is al meer dan genoeg. Heracles Almelo, waar een kleine club groot in kan zijn.

Heracles blog

De dorpsparagnost

Ik heb een tijdje in een heel klein dorp gewoond. Nou ja, tijdje. Tien jaar ongeveer. Het dorpje telt ongeveer duizend inwoners. Mijzelf meegeteld.

Zoals ik tegen het dorpje aankeek, zou je kunnen zeggen dat zij een soort van mini-afspiegeling is van de hedendaagse maatschappij. Onder de duizend inwoners telde het dorpje: twee gezinnen van Turkse en Marokkaanse komaf, een Afrikaans gezin, een homostel, een lesbisch stel en een paragnost. Over de laatste wilde ik het eens hebben.

In het dorpje heerste er een hele serene doch nuchtere rust. Het overgrote deel van de inwoners was toch wel meer van uit de boerenklei en doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Heel het dorpje? Nee, een man vocht moedig terug tegen de nuchtere invasie. Om maar eens een beroemde strip te quoten. Deze man had zichzelf bestempeld als paragnost, ziener en in contact-komer met het hiernamaals. Zijn praktijk was aan de hoofdstraat gevestigd en was goed herkenbaar door allerlei fleurige spirituele tekeningen voor het raam. De beste man was niet zomaar spiritueel, nee hij had er zelfs diploma’s voor. Dus er was ooit iemand geweest die voorzag, dat onze dorpsparagnost een ziener was. Dat had hij dan kennelijk helder gezien. Hoe zou dat examen gegaan zijn?

‘U bent geslaagd dorpsparagnost. ‘

‘Ja, dat zag ik al aankomen.’

‘Ja, dat wist ik dat u dat zag…’

Maar ik dwaal af.

De helderziende die wij hadden, leek geenszins op hoe een helderziende er uit hoort te zien. Nu ben ik zelf best wel geïnteresseerd in het spirituele en ik sta er ook heel erg open voor, maar bij hem ging ik behoorlijk dicht. Wat ik in de jaren aan spirituele mannen heb gezien, waren toch kerels die het aandurfden met hun hart leven, milder van aard en doen en zo zagen ze vaak ook uit. Wat “groener” gekleed zeg maar.

Onze ziener had heel bijzondere gaven. Zo kon je hem al van mijlen ver horen aankomen. God wat kon die man vloeken. Met zijn fietsje en hond, het type is me even ontgaan, kwam ik hem regelmatig tegen op het fietspad. De dorpsparagnost had nogal de vervelende gewoonte om tegelijkertijd met mij de hond uit te laten. Alsof hij het wist! Meestal hoorde ik hem wel aankomen en wachtte ik tot hij voorbij gefietst was.

Nu moet ik er nog wel iets bijzeggen. Onze dorpsparagnost kwam uit het westen des land. Het dorpje was behoorlijk oosters. Zijn westers accent sprong er dan ook met vlag en wimpel bovenuit. Ook omdat hij behoorlijk luidkeels was.

Ik stond met mijn hond te wachten langs de kant van de weg en daar kwam hij aan de andere zijde van de straat. De ziener van middelbare leeftijd. Zijn te lange haren met korte kleine krullen, wapperend in de wind. Zijn fiets piepend en krakend. Zijn vaal blauwe trainingspak flapperend langs zijn ooit witte gympen. Zijn bierbuik half leunend op de tussenstang. Zijn hond als een soort van een-honds-husky sleurend aan zijn fiets.

Kennelijk had hij de komst van de elektrische fiets ook niet voorspeld, hoewel een hond iets goedkoper is in aanschaf, maar tel je daar het voer bij op… ik dwaal weer af. Enfin, daar stond ik en daar kwam hij. Onze fietsende Haagse Harry.

‘gloeiende, gloeiende, gloeiende, gloeiende, gloeiende!’

Zijn hond de tong twintig centimeter kwijlend uit zijn bek en zijn baas ongeveer twee en half centimeter. Ik staarde ze na toen ze rechts uit mijn beeld verdwenen.

Alsof zojuist de trein passeerde.

Voor de zekerheid verzekerde ik me er van dat onze dorpsparagnost echt verder was. Er stond hier ook geen bord:

Pas op! Er kan nog een schreeuwend trainingspak voorbij fietsen!

Niemand meer te zien, ik kon mijn weg vervolgen.

 

Een keer ging het helemaal mis. Ik liep weer eens met mijn hond richting fietspad, kwam bij de weg aan. Links, rechts. Geen lawaai. Mooi, de route leek paragnosten-vrij. Ik stak over en wandelde een beetje met mijn hond langs het fietspad.

‘gloeiende, gloeiende, gloeiende!’

Oh nee!

Ik draaide mij om en daar zag ik het vaalblauwe trainingspak, een T-shirt met daarop “I see dead people”, waarbij het woordje “people” behoorlijk er uitsprong op zijn horeca spoiler. ik kon de tekst van het shirt lezen. Ze waren wel heel erg dichtbij.

Ik hield mijn hond korte en zette mij schrap.

‘Gloeiende, gloeiende, gloeiende!’

Het gehijg van de hond klonk als een defect espresso apparaat. Ik staarde naar mijn hond, maar deze had geen enkele interesse in het hijgend hert of zijn reutelende baas. En toen gebeurde het.

De hond van de dorpsparagnost, trok plotseling naar links en liep zo de sloot in die naast het fietspad loopt.

‘Gloeiende, gloeiende, gloei…’ Plons!

Een hoop lawaai en gerammel. De hond schiet los en zijn baas schoot met zijn hoofd vooruit zo de sloot in. Twee bruin-witte gympen spartelden mijn kant uit. Mijn hond en ik keken elkaar even aan. Net op het moment dat ik de helpende hand wilde toereiken, begon onze dorpsparagnost mij allerlei voorspellingen te doen.

‘Krijg de tyfus, klootzak! Ken je niet uitkijke. Je ziet toch dat ik er an kwam fietse.’

En dan zeggen ze dat Twentenaren de “n” inslikken. Hij ging maar door met schelden. Ik kwam er een keertje tussen dat hij het toch helemaal zelf had gedaan, maar toen liep hij helemaal leeg. Zelfs zijn hond schrok er van. Hij keek me aan met een paar grote ogen alsof hij sorry voor zijn baas wilde zeggen. Goed, ik wachtte rustig af tot onze helderziende luchtballon klaar was met zijn onmacht en liet mij van mijn beste kant zien.

‘Nu kunnen we twee dingen doen. Of je ik laat je daar in de sloot liggen, waar je lekker kunt doormodderen met het geschreeuw. Of je houdt je mond even voor een paar minuten en ik help je er uit.’

Stilte. Heerlijk. Rasta Krullemans leek even te wikken en te wegen daarna mompelde hij wat en stak zijn hand uit. Hij had zijn situatie snel ingeschat en koos eieren voor zijn geld. Met enige moeite trok ik de goed gevulde dorpsparagnost uit de sloot. Volgens zijn shirt zag hij nu vooral modder en gras. Daarna pakte ik zijn fiets en zette deze voor hem neer. Hij mompelde wat. Terwijl ik de leiband van zijn hond pakte vroeg ik wat hij zei.

‘Dankjewel.’

‘Graag gedaan hoor.’

Hij griste vlug de leiband uit mijn hand en sprong op zijn fiets. Ik wilde hem nog naroepen met een bijdehandte opmerking van dat hij die sloot vast niet had zien aankomen. Maar dat leek me zo voorspelbaar.

68_madame_soleil-bis

waarzeggerbol