Ruimtegolven en zilverfolie

Vroeger toen ik nog een klein dromertje was van onder de meter, sleurde de tv me altijd mee in series als Battlestar Galactica en Buck Rodgers. Liep ik daar als klein mannetje de hele ochtend “biediebiediebiedie” te roepen. Net zolang tot mijn vader mij een slof naar mijn hoofd gooide.
Je drukte twee pollepels in je moeders vergiet en zette dat op je hoofd. Wikkelde je armen in met zilverfolie. Je wilde wel je hele lichaam bedekken, maar dat viel op. Want wee je gebeente als er weer een lege kartonnen rol in de lade lag. De grote rubberen poetshandschoenen maakten het geheel af. Daar stond je dan als een echte Luke Skywalker in de woonkamer. De piekpijp was je zwaard. De walkman een supersonische computer.
Zo snel als je kon, rende je op de snowboots van je pa naar de douche. De teletijdmachine van Barabas. Voor je het wist begaf je je in andere intergalactische werelden. Al zwaaiend met je zwaard liep je de badkamer uit. Vlug haalde je de onderbroeken van je moeder van je wapen die je al wapperend met je piekpijp van het droogrek had af gezwengeld. Ze zouden niet misstaan als zeilen voor een piratenschip, maar dat is een andere fantasie.
Naast mij als sidekick een bloedmooie vrouw slechts gehuld in een zeer korte rubberen hotpants met dito topje. Net zoals in de series. Dat alles afgewerkt met glanzende laarzen tot net boven de knieën en naaldhakken van een centimeter of acht. Tja, kleiner dan een meter of niet, je blijft natuurlijk wel een jongen.
In de herfst en de winter kon je het beste een ruimteheld zijn. Buiten werd het dan vroeg donker en dat maakte het realistischer. Dromerig liep ik dan ’s avonds op straat de hond uit te laten en staarde naar de hemel.
Al die sterren. Geweldig overweldigend! Daar was de Grote Beer en dat kon wel eens Mars zijn. Waar zou Buck wonen? Zag ik nu een ufo? Mijn fantasie wilde zo graag, dat ik soms wel eens een vliegtuig voor een vliegende schotel aanzag. Bij mij was het natuurlijk het gevechtsschip uit Star Wars. Wanneer ik me goed concentreerde zag ik de laserstralen uit de gevechtsvliegtuigen komen.
Buren dachten wel eens dat er iets niet goed met me was, als ik al bliepend en zoemend voorbij kwam wandelen met de hond. Zij zagen het niet. Begrepen niet wat er allemaal mogelijk boven ons kon afspelen. Het mankement van veel volwassenen, ze vergeten hun fantasie. Het middel om onwerkelijkheden werkelijk te maken.

Vorige week zag ik een aantal wetenschappers op tv. Als kleine jochies zaten ze te wiebelen op hun stoel. Ze hadden wereldnieuws. De ruimte trilt. Zwaartekrachtgolven, botsende zwarte gaten, ruimtetijdtrillingen. De termen vlogen enthousiast over de tafel. De ogen fonkelden van plezier en als je goed keek, zag je de nieuw ontdekte werelden in hun hoofd opdoemen.
Jochies met een badmuts op hun hoofd. Achter elkaar aan rennend met zaklampen als laserzwaarden. Een boze moeder die ze maande eens niet zo te dromen en hun huiswerk moesten maken, renden om de salontafel. Opeens stoppend wanneer op tv de sexy sidekick van Buck verscheen. Zouden ze deze rondborstige rimpeling ooit ontdekken ergens achter Mars? Ik zag het allemaal.
Fantasie wordt soms heel langzaam werkelijkheid. In hetzelfde tempo als een ruimtetijdtrilling. Jongetjes en meisjes die ooit trouw zwoeren aan hun fantasie en later als ze groot waren eens écht wilden uitzoeken of Star Wars bestond.
Nu zaten deze kinderen aan tafel met wereldnieuws. De hele wereld zag wetenschappers. Ik zag in zilverfolie verpakte kinderen met een vergiet op hun hoofd.

Vergiet

Fantasie

Als jongetje keek ik uit naar de herfst. Hoe harder het begon te stormen, hoe blijer ik werd. Ik hoopte dat het vooral in de avond zou regenen en bliksemen. Ik kon het niet afwachten wanneer ik naar bed toe moest. Snel trok ik mijn pyjama aan, trok het gordijn goed dicht, maar zorgde ervoor dat aan de bedzijde een spleetje licht naar binnen kon. Voor de rest was mijn slaapkamer aardedonker. Het raam stond op een kiertje. Anders hoorde ik de wind niet. Als ik geluk had waaide het zo op mijn raam dat er af en toe een fijne spetter water op mijn gezicht viel.

Diep verscholen onder mijn dekens lag ik te genieten van het zingen van de wind. Langzaam veranderde mijn kamer in een grot. De rode cijfers van mijn wekker werden een kampvuurtje. Het reepje licht waar je nog net het bedruppelde raam zag, transformeerde langzaam in een ingang van een kier in een grote grauwe berg. Buiten ademde een donkergroene draak zijn zwaveldamp langzaam in en uit.

Sal. Dat was mijn naam in mijn verbeelding. Magiër en strijder van het goede. Elke nacht zat ik bij het kampvuurtje onder een dierenhuid mijn handen te verwarmen. Mijn trouwe draak hield buiten de wacht. Beiden wachtend tot het slechte weer voorbij getrokken was zodat we de strijd aan konden gaan tegen onze eeuwige vijand: de Zwarte Weduwe. Helaas viel ik altijd in slaap voordat we op avontuur konden. Dit overkwam me eigenlijk elke nacht. Magiër Sal beleefde dan ook bar weinig avonturen. Het gevoel van de realiteit van de herfst verweven aan mijn fantasie was onbeschrijfelijk.

Ik had het geluk een beelddenker te zijn. Alles wat ik las, zag of hoorde zette ik om in beelden. Als kind groeide ik op in een relatief beschermde omgeving. Dat zorgde ervoor dat ik weinig meekreeg van de grote boze buitenwereld. Mijn leven bestond uit He-man, Laurel en Hardy, Achterwerk in de kast en boeken als Tup en Joep, Pietje Bel en Pinkeltje. Het voedde mijn brein en maakte mijn jeugdige leven nog kleuriger dan het al was.

Het moet ergens met de film ‘Neverending story’ of ‘Labyrinth’ geweest zijn dat mijn interesse voor de fantasie aanwakkerde. Vanaf dat moment werd het bosje bij het park een Scandinavisch-achtig oerbos vol elfen en dwergen. De weg naar school een zandpad of kasseienweg met struikrovers achter elke lantaarnpaal en mussen als draken in de lucht. Het kon niet gek genoeg. De wereld zag er een stuk interessanter uit als het gevuld was met flarden boek en film uit andere werelden. Niet dat de realiteit zo slecht was, maar ja. Als ik met een denkbeeldige ridder vocht, deed dat minder zeer dan wanneer ik van de fiets viel.

Naarmate ik puber werd, werd de wereld om mij heen ook groter. Fantasie werd fantasy, want dat was stoerder. Het besef dat er meer gebeurt in de wereld dan dat je als kind voor mogelijk gehouden had, was best wel schokkend. Ik herinner mij de eerste Aids-gevallen, een verhongerd land in Afrika, Tsjernobyl, Irak en Iran in een eeuwige oorlog. Opeens werd ik geconfronteerd met een realiteit die ik me alleen maar kon voorstellen bij en Rambo of James Bond film.

Wat deed ik? Ik zette me af, werd anarchistisch, zette me af in de vorm van punk in de jaren negentig. Grunge. Wat moest je anders? Gelukkig liet de fantasie mij niet in de steek. Thuis las ik boeken van werelden vol met draken en magie. Even ontsnappen, even de baas kunnen zijn van je eigen land. Ik deed mezelf de belofte dat wat er ook gebeurde, ik mijn hele leven een klein stukje kind met me mee zou nemen. Sal ontstond rond mijn achtste en zou minstens tot mijn honderdste mee moeten gaan. Het kleine stukje jeugd dat me altijd zou helpen herinneren dat hoe slecht het soms ook kan zijn, mijn eigen wereld het altijd iets kan oppoetsen. Ook andersom. Wanneer de wereld me toelacht, glimlachen ze mee in je fantasiewereld.

Vandaag de dag zitten we midden in toestanden. We vallen van de ene crisis in de andere. De wereld staat in brand. Huizenmarkten stortten in, IS steekt als hardnekkig onkruid de kop op. Duizenden vluchtelingen overstromen het paradijs Europa. Parijs wordt geteisterd door aanslagen. Rechts en links weten zelf niet meer wat goed of slecht is. We schreeuwen om ons heen, maar weten niet wat we moeten doen. Ergens mogen we onze handen dichtknijpen dat we in het relatief veilige Nederland wonen.

Ik kijk om me heen en zie kinderen met dezelfde fantasie dat ik ooit had. Hun wereld is nog veilig klein. Geen weet hebben ze dat de grote mensen over zwarte piet zeuren. Zolang ze hun pakjes maar krijgen. Waarom ze snel weggetrokken worden bij een vriendelijke man met een grote baard in het winkelcentrum, zouden ze niet weten.

Een kind hinkelt over de stoep en houdt mij tegen. Ik mag niet met mijn voeten over spleetjes, want dat zijn diepe ravijnen waarin ik te pletter kan vallen. Ik glimlach en hinkel vrolijk mee met deze dappere ridder.

’s Avonds thuis glij ik mijn bed in. Herfst. Het waait. Dicht kruip ik tegen mijn vriendin aan. Ik sluit mijn ogen en Sal de magiër zit voor zijn kampvuurtje. Buiten staat zijn draak waakzaam voor de grauwe berg. Het regent en… ik val met een glimlach in slaap.

a_boy_and_dragon_wings_fantasy_fierce_hd-wallpaper-1882389

Bron afbeelding: hdwallpapers.cat

Bruggen naar het onbekende

Eerst vielen ze me niet eens op. En daar waren ze op eens. Statig, praktisch. Tevoorschijn komend tussen een rij bomen en met een lichte kromming over de weg verdwijnend in het groen aan de andere zijde. Soms waren ze kaarsrecht en soms zelfs nog compleet van baksteen.

De snelweg in Duitsland heeft vele gezichten. Vaak langdurig en nog veel vaker; bouwen aan de weg met files. De route naar Winterberg onthulde iets bijzonders voor me. De bruggen. Ze doemden met de regelmaat van dauwdruppels vallend van een tak op.
Ik had er geen oog voor tot dat me wat opviel. Hoe ik ook mijn best deed, ik kon niet ontdekken waar ze vandaan kwamen aan de linkerzijde van de snelweg en waar ze verdwenen aan de rechterkant. Enkele bomen of soms een compleet bos vormden een soort van gordijn van waaruit de brug zijn acte de préséance maakte.
Het activeerde mijn fantasie. Opeens zag ik voor mij een film van een ouderwetse brug krommend over een grauw betonnen weg die verdween in de mist. De brug doemde op vanuit een donker woud en verdween in een rond kolkend paars niets.
Een volgende brug kwam. Een schilderij. Deze kroop als een groene scheut de blauwe hemel in waar de zon als een soort bloemenkop dienst deed. Een Dali op de Autobahn.
Het was enorm fascinerend. Keer op keer. Brug op brug. Mijn vriendin keek me bedenkelijk aan. Waar ik mee bezig was. Ik maakte haar deelgenoot van het mysterie van het geen begin, geen einde van de bruggen. Hoe ik ook keek. Ik vertelde haar tevens mijn fantasieën over deze bouwwerken hangend over de snelweg. Waar ik bang was dat ze me uit zou lachen, glimlachte ze. Zij concludeerde heel nuchter maar bijna fantasievol tegelijk dat het een soort bruggen naar het
onbekende moesten zijn.
De weg naar het bekende, de bruggen naar het onbekende. Je kon als je wilde, naar zo’n brug toerijden. Ontdekken wat er nu was. Het was haast een symboliek met het leven. Maar net niet.
Waarom zou ik willen weten waar deze bruggen naartoe leidden als dat zou betekenen dat ik mijn schilderijen en fantasiefilms niet meer kon maken in mijn hoofd?
Soms moet je iets laten wat het is. Deze bruggen moesten blijven leiden naar het niets. Zo was het bedoeld en zo liet ik ze hangen in mijn verbeelding.

WP_20140919_016 WP_20140919_017