Het is hier autistisch

En dat is het hier ook. Buiten het feit dat elke man wel autistische trekjes heeft, is het hier ook autistisch.

Ik zeg altijd gekscherend: mijn zoon is zo autistisch als de pest. Daar is hij het overigens volmondig mee eens. Dit kan hij ook niet tegenspreken, want hij kan niet praten. Scheelt weer. Je merkt het al dat in huize Ziet zaken met enige, soms wat crue humor benaderd worden. Mijn zoon heeft niets aan zachte heelmeesters en om behandeld te worden al was hij een Swarovski zwaantje. Sowieso teveel blingbling Gerard Joling gehalte. Neen, mijn junior vaart wel bij positieve benadering, logica, structuur en begrepen worden. Inclusief humor.

Normaal behandeld worden met de zelfkennis dat hij enigszins afwijkt van de door de maatschappij ingestelde norm van normaal. Die overigens an sich al zeer discutabel is. Want, wat is normaal? Dat we snel een vooroordeel klaar hebben over een ander? Vind ik niet normaal. Doet een autist niet. Maar ja, die kan op zijn beurt weer dodelijk rationeel en eerlijk zijn. Normen moeten er zijn, anders wordt het ook maar een zooitje. Mijn zoon blijft niet aan het opruimen.

Filemon is nieuwsgierig of hij een autist is, en zie daar de geboorte van een serie afleveringen over autisme in al haar gradaties. Eerlijk, ontspannen, recht voor zijn raap en soms gruwelijk confronterend. Want wie immers zijn zoon gereflecteerd ziet in een oudere versie, ziet een stukje van een mogelijke toekomst.

Persoonlijk denk ik dat Filemon ook gewoon zo autistisch als de pest is. Hij is ook nog man… kun je nagaan. Is dat erg? Nee, ik denk het niet. Hij is misschien wel het voorbeeld op TV wat je met autisme kunt bereiken. Beter nog: hij laat zien wat je met autisme, in welke gradatie dan ook, kunt bereiken.

Waar de een lezingen houdt op middelbare scholen, legt de ander gekleurde staafjes op een bepaalde volgorde. Dat lijkt een mijlenver verschil in kunnen, maar dat is het niet! Daar wil ik graag een lans voor breken. Voor Filemon zijn programma, maar vooral voor de autist. Wij, niet autisten, die denken dat we voldoen aan een ‘normale maatstaf’, moeten stoppen met denken dat wanneer een persoon gelukkig wordt van staafjes leggen of knikkers sorteren, dat die zielig of raar is. Dat is het niet! Dat is hun gelegde norm.

Mijn zoon bijvoorbeeld, hoeft geen Playmobil. Ook niet wanneer de gever het zo’n mooie spectaculaire doos vindt. Zo kijkt hij niet. Zit er niets in wat op kleur gelegd kan worden, dan kan hij er niets mee. Dat is zijn ding. Zijn wereld. Zijn lat. Niet raar of op een ander niveau vergeleken met leeftijdgenootjes. Neen. Een andere wereld! Net zoals zijn papa af en toe verstrikt zit in een schrijversbubbel. Daar stop je ook geen loodgieter in. Die wordt daar doodongelukkig van.

Dus ja, het is hier autistisch, het is daar autistisch. Het is overal autistisch! We zien het niet altijd, maar het is overal. Het is gewoon normaal. Dat zou de ingestelde norm moeten zijn. Ik ben blij dat Filemon dit op zijn autistische manier aan de rest van Nederland duidelijk maakt.

autistsich

Niet voor mij

‘Mijn ouders kozen liever voor de dood dan voor mij.’

Dit zinnetje ging door merg en been toen ik het hoorde op TV. Een autistische man van een jaar of veertig. Bierbuikje, slobbershirt, ruige hipsterbaard en dik brilletje. Zijn kamer zag er uit als een gamershol waar vaker het licht van de laptop scheen dan dat van de zon.

Een man met het niveau waar eeuwig een mama en papa nodig zouden zijn. Uitgerekend zij waren er niet meer. Ze hadden gekozen voor de dood. Mama raakte ongeneeslijk ziek en zou vroeg sterven. Papa kreeg niet veel later de vreselijke ziekte kanker en zou een lijdensweg tegemoet gaat. De ouders hadden besloten om de wereld uit te stappen nu hun leven nog van enige kwaliteit was.

Een jongen, want dat was het. Geen man, maar een kereltje, deed schijnbaar emotieloos zijn verhaal. Iets waar autisten een patent op hebben. Alleen schijn bedroog. Ieder woord dat over zijn tong rolde, had stuk voor stuk een groot gewicht aan emotie. Hij moest ze dragen. Hoeveel woorden hij er ook monotoon uitspuwde, de last zou zwaar blijven.

‘Ik begrijp het niet. Waarom wilden ze nu al dood? Ze hadden toch ook nog even kunnen wachten? Ik ben er toch ook?’

Roerloos staarde hij voor zich uit. Een innerlijke strijd woedde.

‘Papa en mama hadden beiden iets vreselijks. Ik wilde ook niet dat ze pijn leden. Papa was heel gek op mama.’

Je zag hem worstelen. Hij wist dat zijn ouders geen keuze hadden. Alleen daar kon hij niks mee. Zag hem zitten in zijn kamertje. Wie moest nu zijn mama zijn die hem vertelde dat hij wel zijn tanden moest poetsen. Dat hij ook eens naar buiten moest en niet de hele dag gamen. Wie werd nu papa? Iemand die hem even een schop onder zijn kont gaf? Of gewoon een mannenknuffel gaf, omdat papa dat ook altijd deed. Hij had een broer, maar dat voelde nu even niet het zelfde. Zielsalleen zittend op een bed vol games. Zelfs de camera zag hij niet meer. Ogen staarden in het korte verleden.

‘Papa ging op bed liggen achter mama. Zo deden ze dat altijd. Toen sloeg hij een arm om haar heen. Hij kon zo kijken naar mama. Dat deed hij zo mooi. Mama zag dat niet meer. Toen blies mama haar laatste adem uit. Papa zag dat en stierf met een glimlach mee. Zo zijn ze samen naar boven gegaan.’

De jongen keek omhoog alsof daar een tunnel naar de hemel zou openen. Hij deed zo zijn best om even geen autist te zijn. Dwong bijna zijn ogen om te huilen. Het lukte niet, maar ik voelde zijn verdriet en huilde voor hem. Iedereen die het programma keek weende waarschijnlijk voor hem.

Mijn ouders kozen voor de dood. Een zin die voor altijd in mijn hart gekerfd staat. Een kind moet zijn vader en moeder overleven, zegt men wel eens. Alleen soms zou je willen dat het net even anders zou zijn. De jongen zal er wel komen. Ik wens hem duizenden oprechte, echte tranen toe.

eutanasie

Hans Klok junior

Autisten hebben behoefte aan een goede duidelijke structuur, daar is junior van mij geen uitzondering op. Hij is dan ook mans genoeg om zijn chaotische papa wat structuur bij te brengen. Staat de deur in de bijkeuken open? Junior sluit hem wel. Dat ik daar nog sta met mijn handen vol servies, interesseert hem niet. Deuren horen dicht. Ik ben ondertussen zeer handig geworden om met mijn voeten de deur weer open te krijgen.
Opruim gedrag is ook een symptoom die mijn zoon heeft. Boeken in de kast, afstand bediening op de salontafel en borden in de keukenkast. Vuil of schoon dat maakt niet uit. Je kunt best wel eten van een spinazie aangekoekt bord. Vindt Junior. Wat ik vind mag ik houden of opruimen.
Op zijn slaapkamer heeft hij een grote doos met Lego blokken. Daar kan hij lekker mee spelen en sorteren en… je voelt hem al aankomen… opruimen. Alleen bij stress, positief of negatief, slaat zijn opruimgedrag een beetje door.
Op een mooie avond was junior op zijn kamer en behoorlijk onrustig. Ik snelde naar boven om te ontdekken wat er aan de hand was. De doos was leeg. Alle blokken waren verdwenen. Vast in de kledingkast gelegd, dacht ik nog, maar waar ik ook zocht, geen speelgoed. Hoe in de wereld had hij dit nu weer voor elkaar gekregen? De verrekte blokken leken van de aardbodem verdwenen! Niet op mijn kamer, niet in de andere kasten. Zelfs niet van grote hoogte in de voortuin gemikt. Dat wil ook wel eens gebeuren, maar dat is een heel ander verhaal.
Waar zijn die blokken? Junior kan niet praten, dus een antwoord zou ik niet krijgen. Kennelijk had hij ook een korte termijn geheugen want aanwijzen deed hij ook niet. Hoewel… zijn sardonische grijns verraadde wel een beetje het leedvermaak naar zijn papa toe.
Daar stond ik. In zijn blokkenvrije kamer. Mijn hersens krakend over dit mysterie. Ik staarde naar de lage boekenkast die daar stond en opeens begon de gloeilamp te branden! Achter deze kast zat een vrije ruimte voor de verwarmingsbuizen!
Ik dook naar de kast! Junior begon achter mij enthousiast te springen. Ja, hoor! Hans Klok junior had alle blokken in deze ruimte gepropt! Alle blokken.
Een uur lang heb ik lopen zoeken. Een uur lang heeft junior ironisch speelplezier gehad met zijn papa. Ik gooide alle blokken terug in de doos en zorgde er voor dat de opening achter de kast niet meer benaderbaar was. Ik pakte nog wat rommel op en wilde de slaapkamer uit wandelen.
Deur dicht.

bouwstenen

Bron afbeelding: q-bricks.nl

 

Haribo prikken

Iedereen is wel eens de klos. Zo ook mijn zoon. Bloedprikken. Voor een genen onderzoek moest er bloed geprikt worden en zoals een echte Tukker dan reageert: “Doar dooj niks an.”
Hoe prik je nu bloed bij iemand die niet meteen begrijpt wat er gebeuren staat? Ook al heb je het enkele dagen van te voren meermaals aangekondigd. Dat is bijna niet te doen. Gelukkig heeft hij wel een goede associatie met de kinderarts. Zijn praktijkruimte is bezaaid met speelgoed en de beste arts is ook nog eens super vriendelijk. Maar ja, probeer tussen al deze vrolijke zaken door maar eens met een blij gezicht een scherpe naald in iemands autistische arm te prikken.
Onze arts had een briljant plan. Haribo’s. Welke kind is er nu niet gek op? Onze zoon was daar geen uitzondering op.
‘Meneer Michiel, als u hem de hoofd naar links houdt, de moeder daar vervolgens met wat haribo’s hem afleidt, dan zal de verpleegster zijn arm recht houden en dan kan ik er in prikken.’
Zijn uitleg klonk eenvoudig en ingewikkeld te gelijk. Mijn zoon kan behoorlijk sterk zijn als hij iets moet doen, waarvan hij in de stress raakt. Dus dit zou een uitdaging worden.
Afijn, de afleiding werkte. Junior had alleen maar oog voor de kleine zoet beertjes. Mooi! De arts zette de naald in zijn arm en begon te tappen. Mijn zoon zijn lichaam verkrampte iets. Wat was dit? Zag je hem denken. Zijn moeder bungelde snel twee haribootjes voor zijn neus en ik hield zijn hoofd zo goed mogelijk naar links. Zijn arm protesteerde en de verpleegster moest letterlijk als een volleerde turnster aan de rekstok zijn arm in bedwang houden.
‘Voeren! Voeren!’
‘Hier kerel, vier snoepjes.’ riep zijn moeder, die met de grootste bibbervingers de haribootjes voor junior zijn gezicht hield.
Onze zoon haperde even toen het eerste buisje op de naald ging.
‘VOEREN!’
Drie zalen verder was de dokter nog te horen. Alsof haar leven er van af hing, drukte zijn moeder de snoep in junior zijn mond. Ze gooide het er nog net niet van een meter afstand er in.
Afgeleid, gelukkig. Zijn arm ontspande, onze biceps ontspanden en junior smakte vrolijk een mond vol haribo’s weg.
De verpleegster, opgefleurd met rode blosjes van de inspanning, plakte een leuke pleister op zijn arm. De kinderarts prees hem letterlijk de hemel in, met ons er bij. Ik prees hem mogelijk nog hoger dan dit.
Haribo maakt kinderen blij, met de kinderarts en mij er bij!

Haribo spuiten

Gelukkig Nieuwjaar

Vroeger waren de kerstdagen vol cadeautjes, warmte, films en familie. Vandaag de dag is de kerst de tijden van het omzeilen. Mijn zoon is autistisch, behoorlijk zwaar. Waar ik als jochie blij van werd, raakt hij van in de stress.
Het doet mij vaak pijn om te zien hoe hij het allemaal net aankan. Het zogenaamde emmertje in zijn hoofd zit elke keer op het randje. School is op deze donkere dagen veranderd in een hel voor hem. Al die lichtjes, kerstbomen en muziek. Zijn hersens zijn Syrië, de prikkels de meedogenloze bommen. Thuis, de straten, de mensen, alles is anders. De hele atmosfeer ademt kerst en feest. Hoe positief en saamhorig wij ook ons voelen, voor hem is het een enkeltje eerste klas inferno. Hoe goed ik ook mijn best doe, ik kan de magie van december niet uit de lucht halen. Uit zijn hoofd.
Het grappige is dat we veel op elkaar lijken. Sterker nog, we hebben veel dezelfde trekjes. Maar, ja, zijn alle mannen niet een beetje autistisch?
Afijn, waar ik andere kinderen bij Sint een liedje zie zingen of elkaar plat schieten met Nerfs, zie ik mijn zoon zich stilletjes terugtrekken. Ergens onder een deken in een hoekje ver in zijn geest. Zolang er maar een vertrouweling in de buurt is, wil het nog wel.
Vroeger liep ik op kerst zoals een auto op benzine. Alle bezigheden om me heen. Ik zoog ze op en fantaseerde erover. Kon uren lang gebiologeerd naar Laurel en Hardy kijken op tv. Of mezelf verliezen in een goed boek of een leuke strip. Moeders die een aardappelsalade maakte in de keuken en vaders die met het vlees in de weer was. Het klinkt allemaal heel ouderwets en dat was het ook. Niet minder leuk daarentegen. Het romantische beeld dat ik eraan overgehouden heb, koester ik nu ik weet dat het ook anders kan.
Niet iedereen heeft zulke kerstdagen en dat weten we ook donders goed. Radiostations, goede doelen, iedereen probeert ons dat duidelijk te maken. Allemaal willen ze geld. Ze weten namelijk heel goed dat deze donkere dagen ons week maken. We trekken sneller de knip en zijn voor een paar dagen even wat minder zuurpruimerig en gierig. Ze hebben groot gelijk.
Helaas kun je voor een grote groep mensen geld inzamelen wat je wilt, cadeaus geven wat je wilt, lief en warm zijn, het helpt niets. Net als mijn zoon.
Zij moeten overleven. De storm aan prikkels overleven, verstopplekjes zoeken. Verbaasde blikken van mensen vermijden die niet begrijpen waarom zij zo lijkbleek en onrustig zijn. Mensen die niet begrijpen waar ze stress van hebben. Er is immers even niets slechts aan de hand. Ze kunnen er zelfs verontwaardigd over raken. Een autist kan het je niet uitleggen, beste mensen. Hun wereld steekt net even iets anders in elkaar. Hoe meer goedbedoeld kerstgevoel je geeft, des te erger kan het worden. Zij kunnen de poorten tegen de prikkels niet sluiten.
Wat is dan kerst voor hun? Als de donkere dagen gestaag voorbij trekken. Als het oorverdovende lawaai van het vuurwerk met Oud en Nieuw na een week eindelijk stopt. Wanneer mensen heel langzaam weer in hun oude gewoontes van klagen, optimisme, schreeuwen, werken, normaal aardig zijn en noem het maar op. Wanneer zij weer langzaam geland zijn naar hun zelf, dan landen de autisten mee.
Ergens diep in februari kruipt mijn zoon onder zijn geestelijke dekentje vandaan. Hij kijkt om zich heen en ziet het normaal ritme van de dag. Het licht overwint langzaam maar zeker van het donker. De prikkels smelten langzaam weg uit zijn brein. Hij glimlacht sinds lange tijd weer spontaan. Het is gelukkig nieuwjaar.

Autism Care

Autism Care

Bron afbeelding: balanceforlife.us

En gelukkig hij… (Torenkamer kwesties)

Vakantie in eigen land. Heerlijk! Wij Nederlanders willen wel eens vergeten hoeveel mooie plekjes ons eigen land heeft. Waar Japanners en Chinezen in groten getale van de andere kant van de wereld naar ons paradijsje toevliegen, willen we zelf het liefst zo snel mogelijk naar een zon gegarandeerd land. En mocht dit onverhoopt niet lukken en zijn we noodgedwongen hier te blijven. Dan klagen we het liefst over het weer. Een traditioneel nationaal beklag die we eigenlijk het hele jaar voeren.
Autistisch en hulpbehoevend als mijn zoon is, durf ik op dit moment niet verder dan ongeveer een uur tot anderhalf uur van huis af te zitten. De vakantielanden worden dan gereduceerd met twee: Duitsland en Nederland.
Een beetje echte autist is gek op natuur. Mijn zoon is daar geen uitzondering op. Zet een paar bomen neer en leg wat zand op de grond en junior heeft urenlang speelplezier. We hadden ons huisje in het bos speciaal er op uitgezocht
Oké, hij het huis in het bos, ik af en toe een stadje. De deal werd gesloten. Hattem. Die stad wilde ik wel eens zien om twee redenen: de middeleeuwse kern en het Anton Piek museum. De laatste moet helaas in de herkansing, aangezien het te druk was en ik mijn kleine prikkelbom zo prikkelvrij mogelijk door het zonnige drukke centrum wilde hebben. Gelukkig was het bij de Dijkpoort mooi rustig. De meeste mensen zochten met het warme weer het terras op en wij een middeleeuwse toren. Daar waar alle vrouwen rechts de bonbon atelier in sprinten, ligt precies daar achter de Dijkpoort. Drie etages vol geschiedenis. Mijn zoon zag dit anders. Die nam een toren waar vol deuren en Luiken.
Gek op traplopen als hij is, liep hij vrolijk klakkend naar boven. Hij had een tasje met een souvenir om zijn pols hangen en die bungelde vrolijk mee omhoog. Eerste verdieping. Deur van de trapgat werd vrolijk voor papa zijn neus dichtgedrukt en meneer ging een tafel vol historische fotoboeken en teksten sorteren. Nog net op tijd kreeg ik de deur open om hem te behoeden voor nog meer opruimwoede. Ergens in een stapel gesorteerde boeken, prijkte er een plastic tasje. Zijn tasje. Vlug griste ik het tussen de berg boeken vandaan en beende snel met junior naar de tweede etage. Een kunstatelier. Mijn zoon heeft een voorliefde voor blond haar en ik moest hem dan van de blonde kunstenares wegslepen met wie hij al klikkend en klakkend avances probeerde te maken. Snel naar de derde verdieping. Uitkijktorentjes met heel veel ramen en luiken. Alsof we in de ballenbak terecht kwamen.
Zoals mijn vader vroeger zo vaak tegen mij zei, moesten de kleppen dicht. Het maakte junior niet uit hoeveel toeristen naar buiten wilden kijken. Zonder pardon en enige waarschuwing gingen ze dicht. Net als de deur naar de trap toe. Als een volleerd sorry-zegger, liep ik achter hem aan de luiken weer open zetten. Enigszins beschaamd, maar zeker ook zeer geamuseerd, pakte ik mijn zoon bij zijn arm en dirigeerde hem vlug naar de trap naar beneden. Ik wilde me nog omdraaien om gedag te zeggen, maar beneden op de tweede hoorde ik al de versiergeluiden. Eenmaal junior langs de vertederde blikken van de blonde kunstenares geloodst te hebben, ging het iets makkelijker.
We stonden buiten. Waar ik niets tot nauwelijks iets gezien had in de toren, had mijn zoon meer dan genoeg bewonderd. Nog eenmaal achter ons waaide de deur van de toren open. Mijn zoon sprintte naar de ingang toe. De deur dreigde helemaal open te vliegen tegen de bakstenen toren aan. Junior rekte zijn arm uit en gelukkig hij… Hattem!

Dijkpoort

Vossenjacht

 

Iedereen heeft het ooit op een bepaald moment van zijn of haar leven wel eens gedaan. Vossenjacht. Het overbekende spel waarbij je op zoek moet naar raar uitgedoste mensen die ergens rondlopen of verstopt zitten. Het is feitelijk overal te spelen; bos, strand en stad.

Vossenjacht. Als kind heb ik het geloof ik een keer gespeeld. Heb ik het vaker gedaan, dan kan ik het me dan wel niet meer herinneren, dan wel is het ergens geblokt of gewist. Nu hebben ze op de school van mijn vriendin haar zoontje dit fenomeen als een jaarlijks terugkerend iets. Om elkaar als ouder wat beter te leren kennen zeg maar. Of dat na afloop dan ook daadwerkelijk gelukt is, laat ik in het midden, maar dat zal misschien straks iets duidelijker worden als ik het avontuur iets omschreven heb.

Nu is er voor dit verhaal nog iets belangrijks dat je moet weten. Mijn zoon. Nou dat is mooi hoor ik je denken: hij heeft een zoon. Ja, dat klopt. Maar zonder veel uit de doeken te doen is het voor dit verhaal belangrijk te weten dat mijn zoon autistisch is. Hij kan daardoor niet praten. We praten eigenlijk door oogcontact, gezichtsuitdrukkingen en aanwijzen. Dit lukt ons met vallen en opstaan vrij aardig.

Terug naar de vossenjacht. Ik had nog vakantie en zei tegen mijn vriendin:

‘Weet je wat? Ik neem de hond mee en junior en ik gaan gezellig met jullie mee.’

Toen wist ik nog niet wat vossenjacht op een basisschool vol kleine tasmanian devils inhield. Inmiddels ben ik wijzer en grijzer geworden.

We liepen vol goede moed naar school, maar je zag al aan de kinderen wat er te gebeuren stond. Hoe zal ik het zeggen: Ze gingen van een sportvliegtuig-modus naar een F16-stand. Mijn zoon, die niets van een overdaad aan prikkels moet hebben, keek me voor de eerste maal aan met een blik van: ‘Komt dit wel goed?’

Bemoedigend zei ik: ‘Jongen, alles moet je een keer meemaken.’

We kwamen bij de basisschool aan en wat ik daar zag, oversteeg alle adhd en hyperactiviteit wat ik ooit heb meegemaakt. Als een of twee kinderen druk zijn, of wild, of een kleine tornado. dan is dat nog wel te overzien. Behapbaar. In het ergste geval pak je ze bij de oren en creëert de rust die je zocht. Oké, je bent dan even een boeman maar het werkt. Maar wat doe je als tientallen kinderen als woeste wespen om je heen zwermen? Elk met hun eigen prikkelpakket en stem geluid in bepaalde frequentie. Precies. Je wordt stil en trekt wit weg. Dat is ook precies wat mijn zoon en ik deden.

We hadden een groep met een stuk of zes stuiterballen. Het kunnen er ook vier of acht geweest zijn, maar door al dat heen en weer geren met andere groepen was dat moeilijk in te schatten. Ik vond het al knap dat ik de kinderen van mijn vriendin herkende. De groep was als een niet te houden Ferrari, die vos moest gevonden worden. Tactiek? Zoveel lawaai maken, zodat deze wel smekend of het wat stiller mocht, de bosjes uitkwam. Daar gingen ze, plankgas de straat in. De eerste vos totaal niet ziend voorbij. De moeders die mee liepen wuifden driftig met hun armen.

‘Hier zit er eentje!’

Het mocht niet baten. Signalen kwamen niet over in de samengesmolten aura die zich het beste laat omschrijven als storm-cel. Nu moesten de moeders hun best doen om over het volume van de kinderen te komen. In welke toonhoogte doe je dat het beste? Een moeder had de juiste frequentie en zowaar kwamen de kinderen weer terug gedenderd richting de eerste vos. Zij werd al snel omsingeld. Het lukt haar uiteindelijk ook om door de geluidsbarrière van de kinderen heen een letter te geven. Eerste taak volbracht.

Het laat zich raden hoe de rest van de vossenjacht ging. Nu wil ik eigenlijk twee zaken aan je proberen uit te leggen. Eerste heb ik al aardig hierboven geprobeerd: lawaai van buitenaards niveau.

Tweede, en dat is eigenlijk wel het meest hilarische: de gezichtsuitdrukkingen van mijn zoon. Ik zal een poging doen deze te vertalen naar tekst.

Lawaai. Je hebt geluid. Je hebt veel geluid. Hard geluid. Hoog en laag geluid. Meng dit allemaal door elkaar en jij krijgt een zee van immens geluid. Geluid is tot een bepaalde hoogte verdraagzaam, maar overschrijdt het die grens dan komt het in de categorie lawaai. Stel je voor: twintig muggen om je oren; vijf bromvliegen overal bij je in de buurt; radio Oranje bij de buren keihard; twee schriel blaffende hondjes en een labrador die hijgend en kwispelend om je heen draait. Dit komt denk ik nog het beste in de buurt van het lawaai wat zes (of vier, of acht) kinderen kunnen produceren. Gevoelsmatig althans.

Je weet inmiddels dat mijn zoon autistisch is en buiten het feit dat hij zelf heel veel kan prikkelen en lawaai maken, is hij heel gevoelig is voor externe prikkels en geluid. Mijn zoon keek mij aan alsof hij in een totaal surrealistische wereld terecht was gekomen. Hij leek te zeggen:

‘Heb ik nu te veel medicijnen gehad of is dit echt?’

‘Ik vrees dat dit echt is, zoon.’

Hij aanschouwde wat voor en achter hem gebeurde en drie woorden welden in hem op.

‘Oh, mijn god!’

Zijn gezicht stond zo geschokt alsof ik hem zojuist verteld had dat ik hem had ingeschreven voor deze school.

We liepen met ons tweeën een beetje achteraan. Dit om bewust wat ruimte en lucht te geven voor zoon en hond. Af en toe communiceerden mijn vriendin en ik met onze ogen. Zij vond het net zo bijzonder als ik, gezien onze lacherige toestand. Een ruk aan mijn arm. Stel je voor dat net iemand een scheet heeft gelaten vlak bij je gezicht. Kijk dan eens in de spiegel hoe je kijkt. Nou, precies zo keek mijn zoon ook. Alleen niemand had een scheet gelaten.

‘Moet ik nog verder mee?’ Leek hij te zeggen.

‘Nog een klein stukje.’

Weemoedig zakten zijn schouders iets.

‘Wat kunnen kinderen dan veel lawaai maken.’ Die blik kreeg ik.

‘Says who?’ Verweet ik hem terug.

Hij sprong op en neer en keek me quasi beledigt aan.

‘Ik maak functioneel geluid pa!’

‘Nee, je maakt functioneel lawaai.’ Een kleine doch belangrijke nuance verschil.

Een storm van kinderen raasde weer langs ons heen. Windkracht elf. Mijn zoon trok zo mogelijk nog witter weg. Weer een ruk aan mijn arm. Stel je nu eens voor dat je net hoort dat je moeder vier armen heeft en drie ogen. Die reactie die kreeg ik!

‘Oké, oké, ik begrijp de boodschap, we zullen het geluids-inferno verlaten.’

‘Hè, hè,’ leek hij te zeggen. ‘Weg uit deze vossenjacht.’

Ook mijn elfjarige hond scheen opgelucht te zijn. Hij had tenminste dezelfde bevrijdde uitdrukking op zijn gezicht als mijn zoon.

Een tijd geleden was er zo’n ‘one-hit-wonder’, een klein hitje met de titel: ‘What does the fox say?’ Na deze dag begrijp ik heel goed dat vossen geen schijn van kans hebben iets te zeggen. Stil zijn is slimmer en dat zijn ze.

 

vossenjacht