Vossenjacht

 

Iedereen heeft het ooit op een bepaald moment van zijn of haar leven wel eens gedaan. Vossenjacht. Het overbekende spel waarbij je op zoek moet naar raar uitgedoste mensen die ergens rondlopen of verstopt zitten. Het is feitelijk overal te spelen; bos, strand en stad.

Vossenjacht. Als kind heb ik het geloof ik een keer gespeeld. Heb ik het vaker gedaan, dan kan ik het me dan wel niet meer herinneren, dan wel is het ergens geblokt of gewist. Nu hebben ze op de school van mijn vriendin haar zoontje dit fenomeen als een jaarlijks terugkerend iets. Om elkaar als ouder wat beter te leren kennen zeg maar. Of dat na afloop dan ook daadwerkelijk gelukt is, laat ik in het midden, maar dat zal misschien straks iets duidelijker worden als ik het avontuur iets omschreven heb.

Nu is er voor dit verhaal nog iets belangrijks dat je moet weten. Mijn zoon. Nou dat is mooi hoor ik je denken: hij heeft een zoon. Ja, dat klopt. Maar zonder veel uit de doeken te doen is het voor dit verhaal belangrijk te weten dat mijn zoon autistisch is. Hij kan daardoor niet praten. We praten eigenlijk door oogcontact, gezichtsuitdrukkingen en aanwijzen. Dit lukt ons met vallen en opstaan vrij aardig.

Terug naar de vossenjacht. Ik had nog vakantie en zei tegen mijn vriendin:

‘Weet je wat? Ik neem de hond mee en junior en ik gaan gezellig met jullie mee.’

Toen wist ik nog niet wat vossenjacht op een basisschool vol kleine tasmanian devils inhield. Inmiddels ben ik wijzer en grijzer geworden.

We liepen vol goede moed naar school, maar je zag al aan de kinderen wat er te gebeuren stond. Hoe zal ik het zeggen: Ze gingen van een sportvliegtuig-modus naar een F16-stand. Mijn zoon, die niets van een overdaad aan prikkels moet hebben, keek me voor de eerste maal aan met een blik van: ‘Komt dit wel goed?’

Bemoedigend zei ik: ‘Jongen, alles moet je een keer meemaken.’

We kwamen bij de basisschool aan en wat ik daar zag, oversteeg alle adhd en hyperactiviteit wat ik ooit heb meegemaakt. Als een of twee kinderen druk zijn, of wild, of een kleine tornado. dan is dat nog wel te overzien. Behapbaar. In het ergste geval pak je ze bij de oren en creëert de rust die je zocht. Oké, je bent dan even een boeman maar het werkt. Maar wat doe je als tientallen kinderen als woeste wespen om je heen zwermen? Elk met hun eigen prikkelpakket en stem geluid in bepaalde frequentie. Precies. Je wordt stil en trekt wit weg. Dat is ook precies wat mijn zoon en ik deden.

We hadden een groep met een stuk of zes stuiterballen. Het kunnen er ook vier of acht geweest zijn, maar door al dat heen en weer geren met andere groepen was dat moeilijk in te schatten. Ik vond het al knap dat ik de kinderen van mijn vriendin herkende. De groep was als een niet te houden Ferrari, die vos moest gevonden worden. Tactiek? Zoveel lawaai maken, zodat deze wel smekend of het wat stiller mocht, de bosjes uitkwam. Daar gingen ze, plankgas de straat in. De eerste vos totaal niet ziend voorbij. De moeders die mee liepen wuifden driftig met hun armen.

‘Hier zit er eentje!’

Het mocht niet baten. Signalen kwamen niet over in de samengesmolten aura die zich het beste laat omschrijven als storm-cel. Nu moesten de moeders hun best doen om over het volume van de kinderen te komen. In welke toonhoogte doe je dat het beste? Een moeder had de juiste frequentie en zowaar kwamen de kinderen weer terug gedenderd richting de eerste vos. Zij werd al snel omsingeld. Het lukt haar uiteindelijk ook om door de geluidsbarrière van de kinderen heen een letter te geven. Eerste taak volbracht.

Het laat zich raden hoe de rest van de vossenjacht ging. Nu wil ik eigenlijk twee zaken aan je proberen uit te leggen. Eerste heb ik al aardig hierboven geprobeerd: lawaai van buitenaards niveau.

Tweede, en dat is eigenlijk wel het meest hilarische: de gezichtsuitdrukkingen van mijn zoon. Ik zal een poging doen deze te vertalen naar tekst.

Lawaai. Je hebt geluid. Je hebt veel geluid. Hard geluid. Hoog en laag geluid. Meng dit allemaal door elkaar en jij krijgt een zee van immens geluid. Geluid is tot een bepaalde hoogte verdraagzaam, maar overschrijdt het die grens dan komt het in de categorie lawaai. Stel je voor: twintig muggen om je oren; vijf bromvliegen overal bij je in de buurt; radio Oranje bij de buren keihard; twee schriel blaffende hondjes en een labrador die hijgend en kwispelend om je heen draait. Dit komt denk ik nog het beste in de buurt van het lawaai wat zes (of vier, of acht) kinderen kunnen produceren. Gevoelsmatig althans.

Je weet inmiddels dat mijn zoon autistisch is en buiten het feit dat hij zelf heel veel kan prikkelen en lawaai maken, is hij heel gevoelig is voor externe prikkels en geluid. Mijn zoon keek mij aan alsof hij in een totaal surrealistische wereld terecht was gekomen. Hij leek te zeggen:

‘Heb ik nu te veel medicijnen gehad of is dit echt?’

‘Ik vrees dat dit echt is, zoon.’

Hij aanschouwde wat voor en achter hem gebeurde en drie woorden welden in hem op.

‘Oh, mijn god!’

Zijn gezicht stond zo geschokt alsof ik hem zojuist verteld had dat ik hem had ingeschreven voor deze school.

We liepen met ons tweeën een beetje achteraan. Dit om bewust wat ruimte en lucht te geven voor zoon en hond. Af en toe communiceerden mijn vriendin en ik met onze ogen. Zij vond het net zo bijzonder als ik, gezien onze lacherige toestand. Een ruk aan mijn arm. Stel je voor dat net iemand een scheet heeft gelaten vlak bij je gezicht. Kijk dan eens in de spiegel hoe je kijkt. Nou, precies zo keek mijn zoon ook. Alleen niemand had een scheet gelaten.

‘Moet ik nog verder mee?’ Leek hij te zeggen.

‘Nog een klein stukje.’

Weemoedig zakten zijn schouders iets.

‘Wat kunnen kinderen dan veel lawaai maken.’ Die blik kreeg ik.

‘Says who?’ Verweet ik hem terug.

Hij sprong op en neer en keek me quasi beledigt aan.

‘Ik maak functioneel geluid pa!’

‘Nee, je maakt functioneel lawaai.’ Een kleine doch belangrijke nuance verschil.

Een storm van kinderen raasde weer langs ons heen. Windkracht elf. Mijn zoon trok zo mogelijk nog witter weg. Weer een ruk aan mijn arm. Stel je nu eens voor dat je net hoort dat je moeder vier armen heeft en drie ogen. Die reactie die kreeg ik!

‘Oké, oké, ik begrijp de boodschap, we zullen het geluids-inferno verlaten.’

‘Hè, hè,’ leek hij te zeggen. ‘Weg uit deze vossenjacht.’

Ook mijn elfjarige hond scheen opgelucht te zijn. Hij had tenminste dezelfde bevrijdde uitdrukking op zijn gezicht als mijn zoon.

Een tijd geleden was er zo’n ‘one-hit-wonder’, een klein hitje met de titel: ‘What does the fox say?’ Na deze dag begrijp ik heel goed dat vossen geen schijn van kans hebben iets te zeggen. Stil zijn is slimmer en dat zijn ze.

 

vossenjacht

Advertenties

14 gedachtes over “Vossenjacht

  1. Kleine duivels kunnen inderdaad een pestherrie maken, brrrr. Maar je zoontje heeft het wel meegemaakt en toch goed er vanaf gebracht zo te lezen!
    Soms heb ik met Zamorr gesprekken over het geluid wat de ‘stoute kinderen’ in de bus maken.. dan vraag ik haar of ze vergeten is dat doen alsof je een opera kan zingen (wat ze wel eens wil doen) niet net zo ‘stout’ is. De herrie die kids kunnen produceren oh de horror… maar ach volgens mij hebben wij dat ook vast gedaan, lang lang geleden..

    Liked by 1 persoon

    • Dat herken ik! Mijn zoon, kan een hele straat bij elkaar schreeuwen als het moet. (Gelukkig net zo zeldzaam als een komeet), maar als een ander het doet… hihi…
      Ik vrees dat we geen haar beter waren… ik zong vooral bohemian rahpsody in de bus. 😛

      Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s